De dood van een hippie

Terug naar Verhalen
Terug naar Nederlands
Home


De dood van een hippie...

M'n slaapzak had ik netjes opgerold achter mijn hoofd. Een reclametasje met wat spulletjes stond naast me. Met het verstand op nul, zat ik heerlijk in de luwte met het zonnetje op m'n rug wat te dommelen op twee treden hoog tegen het monument geleund.

'Wil je een slok melk van mij?' zei een meisjesstem plotseling.
Ik schrok op. Ik had niet vernomen dat er iemand naast mij was komen zitten.
'Hier, neem een slok,' drong ze aan en hield mij een plastic flesje voor. Ze had de dop er al afgedraaid.
'Wil je er ook een broodje bij? Ze zijn wel een beetje droog maar daar was de prijs ook naar.'
Uit slaapstand kwam ik bij m'n positieven en keek in een heel mooi gezichtje met lang, sluik, wat lichtbruin haar.
Automatisch nam ik haar fles aan en zat er wat onwennig mee in m'n handen.
'Uit de provincie zeker?' zei ze.
'Eh, eh ja ..., maar hoe ...' stotterde ik.
'Oh, dat zie je gelijk, die zitten hier altijd maar wat voor zich uit te staren. Stadsvolk is vaak wat drukker en zit meestal ook in groepjes bij elkaar.'
Ik nam een slok uit het flesje en nam ook het broodje van haar aan dat ze me nog eens voorhield. Ze nam het flesje weer van mij aan en zonder het af te vegen, nam ze zelf ook een slok en stopte toen het flesje weer in haar van touw geweven tas.
'Als jij een beetje tabak hebt dan kunnen we wel even eentje roken. Ik heb nog wat goedkope Marokko.'
Ik gaf haar mijn pakje shag en zij draaide heel handig een sigaretje met wat kruimels van haar Marokko er door. Met mijn ene hand deed ik de shag weer in mijn broekzak en met de andere hand presenteerde ik haar een vuurtje. Na een paar heftige trekken gaf ze de peuk aan mij. Ombeurten rookten we ons sigaretje op.
'Kom,' zei ze, pakte mijn hand en trok mij overeind, 'we pakken lijn vier. Die rijdt vlak langs het park.'

(...)

Een poosje geleden moest ik voor m'n werk weer eens in Amsterdam zijn. In de middagpauze liep ik door het Vondelpark. Op het derde of vierde bankje waar ik aan voorbij liep, zaten twee - zo te zien nogal stadse - dames van mijn leeftijd wat voor zich uit te kijken. Het ene gezicht kwam mij opeens erg bekend voor. 'k Wist zo gauw niet waar of ik haar eerder had gezien en liep dan ook gewoon door. Terwijl ik nog wat in het park omdwaalde hield dat gezicht mij erg bezig. Was het iemand van de televisie of was ik haar op m'n werk misschien al eens voorbij gelopen? Waar kende ik haar toch van? Zal ik de stoute schoenen aantrekken en haar aanspreken of had ik daar het lef niet toe?

(...)

Ze was nu de rechterhand van een hele hoge ambtenaar, zei ze. Ze woonde in de nieuw wijk, was netjes getrouwd en had twee kinderen, een poes en een hond. We praatten nog wat met elkaar maar ik vond haar nogal bekakt in haar doen en laten. Als ze iets belangrijks zei, en dat vond ze zelf al gauw, dan kon je aan de trekken rond haar mond wel zien, dat ze wat boven haar kunnen werkte. Op den duur wreekt zich dat natuurlijk. Dit was niet meer dat leuke meisje die mij meer dan veertig jaar geleden een broodje gaf met een slok melk en een joint met me rookte. Nee, de hippie in haar was al een hele poos zo dood als een pier. Het was nu gewoon, net als ik zelf overigens, een alledaags burgertrutje geworden.


© Piet Bult, 11-07-2015