De Fochtel

Weeromme naor Etymologie
Weeromme naor Stellingwarfs
Home


De Fochtel

latus ensis
latus = kaante (zijde)
ensis = zweerd (zwaard)

Krek as over de Langelille is d'r over ‘De Fochtel’ ok wel wat aanders te bedaenken as ...

In et oold-Duuts zol et vandaege-de-dag 'Fuchtel' hieten (sund 16de, 17de ieuw) mar van vule eerder wodde et ok schreven as 'Fochtel' (ok wel: Vâhten en Vuhten).
Vanuut de zuudkaante of rekend komt dit woord van een Zwitserse buffel die boeren op et laand bruukten mit et ploegen en aander zwaor (trek)wark.

Mar van et noorden uut (Nedersaksen) hewwe et over de Fochtel as een groot zweerd mit een groot haandvat, krek as dat van 'Grutte Pier' (Pier Gerlofs Donia; aende 15de ieuw; Greate Pyr).
Onbegriepelik dat de VVV van de Fochtel hier deur de jaoren niks mit daon het en Grote Pier mit dat grote zwaord an de Friezen laoten het...


Andere mogelijkheid van de herkomst van de naam: Fochteloo (Ooststellingwerf, Frl.)

Zoals veel vaker voorkwam in de oude terra Stellingwerf ontleent de huidige plaats Fochteloo zijn naam aan de eigenschappen van de geografische ligging. Als eerste was daar al ver voor de naamgeving een hoogveengebied waar het beekje de 'Vogelryd' zijn oorsprong vond (vogelreich, vogelrijk: gebied met veel vogels, geschikte plaats om te jagen). Deze beek was aan de bovenloop weliswaar aan de oppervlakte maar ging vervolgens onzichtbaar onder de later aangelegde leydijk (waterkering rond de vruchtbare polder van plm. 80 bunder) door, om even verderop weer aan de oppervlakte te verschijnen. Waar deze stroom als het ware tegen die leydijk botste maakte het water een soort van wild stromend geluid. Dit luide stromen van het water heette vanouds 'ruuschen' (ruisen). Zo'n beek werd in die dagen ook wel 'fiechte' genoemd (denk bijv. ook aan verschillende namen met 'vecht').

Eerst was rond het huidige Fochteloo dus een uitgestrekt hoogveen gebied met dat afwateringsbeekje, de Vogelryd. Rond de plaats waar de Vogelryd onder de leydijk door in de polder stroomde ontstond een 'natte plaats', een 'fuchtige plaats', een 'vochtige plaats'.

Of met de uitgang 'loo' een bos wordt bedoeld is zeer twijfelachtig. Als daar al bomen gingen groeien dan werd dat dus een 'nat bos', een 'vochtig bos', het 'fuchtige' of 'vochtige loo'. Het is meer aannemelijk dat met de naam alleen de plaats als 'vochtige plaats' (in het landschap) werd bedoeld. De uitgang '~ga' in 'fûhtinunga' (bevochtigen) zou een Friese verbastering tot 'gea' kunnen zijn en terug naar het Stellingwerfs - ten onrechte - als 'loo' zijn vertaald. Het is aannemelijk dat het proto-Germaanse 'fiuxto' of 'fiuxtio' (d.i. pijnboom (achtigen)) in deze voor verwarring zorgt.

De naam 'Siechtloo' (ook wel in andere schrijfwijzen) duidt - zoals Gildemacher terecht beschrijft niet op de plaatsaanduiding -, maar verwijst naar de extra aanduiding van het 'belasting-verschuldigd' zijn van die plaats, het was een 'stocit-plaats' van het Oversticht.

In 1402 droeg Reinoud IV van Coevorden de 'etten' en het gehele Drentsche land over aan de bisschop van Utrecht. Waarvan akte in 1408 met Fochteloo onder de toenmaalse naam Syochtbole.


© Piet/er Bult