Beatrijs

Home
Naar Literas Liricum  (5de van beneden)
Download hier gratis het hele boek



Beatrijs

De stichting Stellingwerfs Eigen het ok een poging daon om de Beatries te vertaelen naor et Strellingwarfs.

De Beatries is een Middelnederlaanse Marialegende uut de veertiende eeuw. Et ienigste haandschrift waor de legende in overleverd is, dateert van kot veur 1374 en wodt beweerd in de Keuninklike Biebelheek in Den Haag. Omreden et oorspronkelike wark gien titel hadde, geft men an et stok meerstal de naeme van de heufdpersoon, Beatries.

Beatries is een jonge kosteres in et klooster die heur habiet oflegt veur een jeugdliefde. Ze neudigt him uut buten de muren van et klooster, waor de geliefden mekeer treffen onder de wilde rozestruke; van ooldsher een symbool veur de liefde. Ze gaon d'r mit zien beiden vandeur en et gelok liekt Beatries toe te lachen: ze kriegen twie kiender en leiden een luxe leventien.

Mar nao zeuven vette jaoren is bin de centen op. De geliefde gaot d'r vandeur en Beatries blift alliend aachter mit heur kiender. Omwille van heur aodellike ofkomst is ze te groots om te bedelen. Dat zol binnen de stadsmuren gebeuren moeten, waor ze wel es herkend kunnen wodden zol. Daoromme köst ze om heur lichem te verkopen, wat vule meer stiekem gebeuren kan, dat wil zeggen buten de stadswallen. Nao een posien komt ze tot inzicht dat dit een grote zunde is. Dit motiveert Beatries om heur trots an kaante te zetten en toch bedelen te gaon. Deur veur een zwarversbestaon te kiezen, hoeft ze heurzels now niet te vernederen binnen heur eigen stad. Ondaanks heur zundige leefwieze blift Beatries Maria trouw deur iedere dag tot heur te bidden.

Bi'j toeval komt ze vlakbi'j heur vroegere klooster. Ze vint daor onderdak bi'j een wedevrouw. Ze vragt de vrouw naor de toestand in et klooster en vernemt dat heur ofwezighied niet iens opmarkt is. Drie visioenen vertellen heur dat Maria veertien jaor lange heur gedaonte annam, heur habiet dreug en heur wark dee. Beatries krigt weer moed. As ze heur kiender veilig aachterlaoten kan bi'j de wedevrouw, pakt ze heur wark in et klooster weer op. Bi'j de jaorlikse visitaosie van de abt gaot ze mit heur zonden te biecht, en wodt heur vergeven. Dit op veurweerde dat de abt heur verhael deurvertellen mag, zodat aanderen d'r van leren kunnen. De abt nemt ok de zorg veur de kiender van Beatries op. Eerst as dat gebeurt, wodt ze in et stok bi'j heur naeme nuumd.

***

1) De (on)macht van kleine getallen

2) Verheven woorden op arme zandgrond

3) Eindrijm in rood en groen...

Stelling: Er zijn meer woorden in gebruik als voltooid deelwoord dan als persoonsvorm.
(voltooide deelwoorden zijn afgeleid van werkwoorden; persoonsvormen komen bijna allemaal van de woorden: zijn, hebben, kunnen, worden en zullen.)


De Beatrijs in het groene Stellingwarfs

Het lijkt me goed (toe) om eerst een paar strofen van de Beatrijs in het Stellingwerfs voor te lezen, zoals ik die vertaald heb. (...) Zo, nu (of: Dan) weten we ten minste ongeveer waar we het over hebben, hoe het in het Stellingwerfs klinkt. Het Nedersaksisch - waar in Nederland het Stellingwerfs een dialect van is - heeft trouwens naar mijn mening een betere taalplaats in onze samenleving verdiend dan bijv. het Fries. Ik durf zelfs de stelling te verdedigen dat het Nedersaksisch in Nederland gewoon de eerste landstaal had moeten zijn. Het Alg. Besch. Nederlands (ABN) zoals dat door - wat wij in het noorden noemen 'Hollanders' - wordt gesproken is eigenlijk maar een met spijkers en schroefjes in elkaar geknutselde taal. Een taal die ergens rond 1600 in elkaar is getimmerd met een hoogst ingewikkelde grammatica en een onbegrijpelijke woordspelling met onder andere d's en t's en tussen-ennen. En bij het afbreken van een regel wordt een fotootje plotseling een heel ander foto-tje. Het is dan ook geen wonder dat het machinepark van onze dagbladen ons dagelijks veel spelfouten (geen: spellingsfouten?) laten lezen.

Het is ook vast niet voor niets dat, vooral in een geschreven zin, de opbouw van die zin in het Nederlands, de zg. 'rode' (lees: rood=foute) volgorde gebruikt: eerst de persoonsvorm en dan het voltooid deelwoord (naar huis is gelopen). Het Stellingwerfs hanteert strikt de 'groene' (lees: groen=goede) volgorde (naor huus lopen is). Het ingewikkeld Polderlands (d.i.: het Nederlands compomis) zegt vervolgens: in gesproken tekst mag het beide eigenlijk wel. Het één is niet fouter dan het andere fout is. In mijn eerste zin gebruikte ik het woord strofen als meervoud van één strofe, maar strofes in plaats van strofen mag in het Polderlands ook. Dit klinkt natuurlijk allemaal lekker gemakkelijk maar het was voor onze Turkse gastarbeiders in 1980 al niet te begrijpen. We zitten tot vandaag nog steeds met een taalinburgering die te ingewikkeld is. Loop jij maar eens (of: loopt u maar eens) over de Albert Cuyp in Amsterdam...

Die rode en groene volgorde wil ik m.b.t. de Beatrijs even dieper op ingaan. Of iemand op de fiets fietsend, met de auto rijdend of te voet naar huis is gekomen, geeft de Nederlandstalige poeet een grote voorsprong op de Stellingwerver en dan met name m.b.t. het eindrijm: naar huis is gefietst, naar huis is gereden of naar huis is gelopen, geeft drie verschillende rijmmogelijkheden aan het einde van de zin. Het Nedersaksisch in/over het algemeen en het Stellingwerfs in het bijzonder, heeft hier een groot probleem: 'naor huus fietst is', 'naor huus reden is' of 'naor huus lopen is', is driekeer 'is' aan het eind van de zin. Het rijmt als de beste maar haalt nog niet het niveau van/voor een Sinterklaasgedicht. De ruim duizend regels van de Beatrijs vertalen in het Stellingwerfs is dan ook een schier onmogelijke opgave. Wellicht daarom heeft niemand zijn vingers er al eens aan gebrand. Gelukkig is voor iedere oplossing een probleem te bedenken en voor ieder probleem een oplossing nabij als de nood het hoogst is: we hebben intussen het gedicht met eindrijm 'ouderwets' en - dus - uit de mode verklaard en ingeruild voor de véél modernere Vrije Vers Vorm, een poetisch VVV, zeg maar. Zo kan iedereen dichten en rijmen…

Ik neem aan dat wij hier allemaal weten dat er in de Bijbel wordt gesproken over de dood van Jezus aan het kruis. Tijdens het vertalen van de Bijbel vanuit de Nederlandse (NBV) naar het Stellingwerfs raadpleegden wij (of pleegden wij raad?) ten minste een zestal andere boekwerken, soms Bijbels - al dan niet - in een andere taal, soms geschiedenisboeken over die tijd en die plaats. Alleen al voor dat kruis (Gr.: stavros/stauros of xulon) kwamen we een zevental vertalingen tegen: een paal, een hout, een kruis, een kruishout, een boom, een martelpaal en een terechtstellingspaal. Een ruime keuze maar juist daardoor ook een hele moeilijke keuze om het eenduidig goed te doen. Laat ik maar niet verklappen wat wij van het 'veelkleurige gewaad' gemaakt hebben dat Jozef droeg toen zijn broers hem aan voorbijtrekkende Ismaëlieten verkochten. Gelukkig hebben we net als prof. Anne van der Meiden (Twenste Biebel) aan het einde van het heidens karwei dat bijbelvertalen is, wel gezegd: 'Et is daon' i.p.v. 'Het is volbracht'.

Terug naar het vertalen van onze Beatrijs, en dan met name met de vraag: hoe groen - ofwel - hoe goed wil je het doen? Wil je de woorden - of op z'n minst de regel - zo concordant mogelijk vertalen en daarbij het kenmerkende eindrijm intact laten? Wil je de inhoud of misschien slechts de moraal van het verhaal weergeven in je eigen taal en je eigen verhaal met je eigen woorden? Het eerste is - ik herhaal - schier onmogelijk in het Stellingwerfs, vooral vanwege die strikte groene woordvolgorde. Een vertaling in Vrije Vers Vorm van uitsluitend de moraal is in mijn optiek duidelijk een tekort als vertaling van de Beatrijs. Je moet wel het hele verhaal willen blijven vertellen, lijkt mij.

Ik geloof dat het intussen zo'n vijf jaar geleden is dat ik er aan ben begonnen. Al snel wilde ik hulp inroepen van anderen maar helaas... ik heb in de hele Stellingwerven (52.000 inw.) niet één persoon kunnen vinden die - soms wel na enig probeersel - met de Beatrijs aan de slag wilde of kon. Ook het afgelopen jaar heb ik er nog eens stevig naar gekeken. Nogmaals, helaas, zonder noemenswaardig resultaat. De - zelfs onberijmde - Psalmen in de Bijbel was één van de moeilijkste delen, maar een makkie vergeleken met de Beatrijs.



05   die as moeke maegd was bleven, [ bleven was ]
     he'k et wonder es beschreven
     waor de Here Jezus mit angaf
     Maria te loven, die him tate gaf.
*
05   die as moeke maegd bleven was,
     doe ik mit penne dit gekras
*
     as zi'j et niet veur zol schrieven. [ schrieven zol ]
     D'r bin d'r ok, die staonde blieven,
55   die saemen patten in heur leven
     al wat de liefde het te geven [ te geven het ]
*
55   die saemen patten in heur bestaon
     al wat de liefde mit heur het daon [ daon het ]
*

     Ik hulp ze graeg, a'k wus hoe."
890  De abdis zee heur toe:
     "laot ze bi'j jow blieven wonen, [ wonen blieven ]
     ik zal jow daorveur belonen,

***

Kortgeleden - half november 2010 - was er een discussie over de rode en groene volgorde op het Taal en Tongval colloquium met o.a. Hans Bennis en Ben Hermans van het Meertens Instituut.

Gert De Sutter promotie-onderzoek 2000
is vermist
vermist is
is geworden
geworden is

Voorbeeld...
De beste man deed zoveel rare dingen dat we zouden kunnen zeggen:
hij heeft wel dronken moeten zijn geweest

of: ik denk dat hij heeft gedronken, en niet: ik denk dat hij gedronken heeft.

De Fries en de Nedersaks zeggen dan:
hy moat wol dronken west ha
hi'j moet wel dronken west hebben

of: ik tink dat hy dronken hat
ik daenke dat hi'j dronken het

dat zouden meer mensen moeten doen
dat soene mear minsken dwaan moatte
dat zollen meer meensken doen moeten

***

Stelling: Alle vertaalprocessen zijn vergelijkbaar

Mijn (voorlopig) antwoord: Niet (altijd helemaal) waar…
Als het woord ‘vertalen’ wordt gebezigd wordt gewoonlijk uitgegaan van vertalingen vanuit en naar een ‘grote’ (lands)taal. Landstalen beschikken gewoonlijk over voldoende vocabulaire in een breed spectrum van domeinen. In dialecten en regionale streektalen is vaak een (zeer) bescheiden woordenschat voorhanden die daarom verschillende vertalingen schier onmogelijk maken.
In bijv. een kleine en overwegend arme (taal)gemeenschap als het Stellingwerfs schiet het idioom schromelijk tekort voor een (goede) vertaling. Zowel verheven woorden als strophes en het vasthouden willen/moetem houden aan bijv. eindrijm, staat een goede vertaling behoorlijk in de weg…

Hoe worden de nieuwe teksten in de literaire context van de doeltaal gepositioneerd?
Hierbij zijn in een/onze super kleine taalgemeenschap mensen vaak belangrijker dan het werkstuk.

***

Beatrijs de wereld in.

Internationaal en interdisciplinair congres

Vertalingen en bewerkingen van het Middelnederlandse verhaal

Koninklijke Bibliotheek Den Haag, 28, 29 en 30 september 2011


Inschrijfformulier

Naam: Piet Bult
Telefoon: (0516) 45 10 38
e-mail: info@stellingwerfs-eigen.nl
adres: Grindweg 18, 8422 DN Nijeberkoop
telefoon (werk en/of privé): idem, zie boven
Aankomstdatum: 30 september 2011 Vertrekdatum: 30 september 2011

Titel bijdrage:
bijdrage aan vertaalforum (vrijdag 30 september, 12u15-13u, o.l.v. Marc van Oostendorp): Eindrijm in rood en groen…
Bijzonderheden i.v.m. met logies en maaltijden
: Met dank voor de aanbieding van logies voor 1 nacht, zal ik daarvan geen gebruik maken.
Dit formulier graag
zo snel mogelijk per mail versturen naar het congresadres beatrijsdewereldin@gmail.com.


***





***



Even voorstellen... Piet Bult

Beatrijs de wereld in, 28, 29 en 30 september 2011

Piet Bult is geboren en getogen in de Stellingwerven (= de beide gemeenten Oost- en Weststellingwerf in zuidoost-Fryslân). Hij komt van oorsprong uit Donkerbroek en woont nu al meer dan zeventien jaar in Nijeberkoop.
Piet is geheel autodidact in de letterkunde en heeft tot ongeveer 1982 veel in het Fries geschreven voor o.a. uitgeverij ‘Alternatief’ in Buitenpost maar is daar toen uit principe mee gestopt vanwege de - toen - nieuwste spelling.
De laatste tien jaar schrijft hij het meest in het Stellingwerfs, een beetje in het Nederlands en soms toch ook weer wat in het Fries.
Sinds heel kort is hij als ‘pensionado’ af en toe met de camper op (taal)pad maar de laatste jaren heeft hij - naast z’n dagelijks werk in een eigen ICT-bedrijf - weliswaar met hulp van anderen de hele Bijbel vertaald in het Stellingwerfs, zelf drukklaar opgemaakt en uitgegeven (Wolvega, 12 mei 2010).
Tussen de bedrijven van het bijbelvertalen door heeft hij dat project ondersteund met lezingen voor o.a. het Nederlands Bijbelgenootschap, de Bijbel in het Gronings, de Bijbel in het Twents en deelname aan verschillende spreekbeurten en fora en heeft hij vertalingen gemaakt van o.a. Alleen op de wereld, de Johannes Passion en andere literaire fraaiheden, waaronder de Beatrijs.
Meer dan vijf jaar was hij hoofdredacteur van het enige Stellingwerfse e-magazine ‘An de liende’, een elektrisch blad met plm. 1.300 abonnees en allerlei Stellingwerfse taal- en cultuuronderwerpen.
Voor een project over een van de oudste Friese rechtsteksten uit de middeleeuwen ‘It heiteleaze bêrn’ (Tresoar, Leeuwarden) heeft hij een poëtische bijdrage ‘Noodrecht’ geleverd evenals literaire bijdragen o.a. aan het 75-jarig bestaan van de Afsluitdijk, het Verdronken land in Zeeland en heeft hij medewerking verleend aan veel andere lokale, regionale, landelijke en ook internationale projecten.

Stellingwerf
In de beide gemeenten Oost- en Weststellingwerf wordt de streektaal het ‘Stellingwerfs’ mondeling nog door ongeveer 50% van de totale bevolking (van 2 x 26.000 inw.) regelmatig gebruikt (Bloemhoff, 2005). Het redelijk goed beheersen van het schrijven is nog slechts voorbehouden voor plm. 500 personen (eigen schatting).
Het is werkelijk uniek te noemen dat Stellingwerf het enige gebied in Nederland is waar drie door Europa erkende talen (verhouding ong. 30:30:30) worden gesproken, het Nederlands, het Fries en het Stellingwerfs (als dialect van het Nedersaksisch).

Yn it Frysk...

Piet Bult is hikke en tein yn de Stellingwarven. Hy komt oarspronklikens út Tsjusterboksem (Donkerbroek) en wennet no alwer mear as sântjin jier yn Nijberkeap.
Piet hat oant likernôch 1982 in soad yn ‘t Frysk skreaun û.o. foar – doedertiden – útjouwerij  'Alternatief' fan Lyckele Jansma yn Bûtenpost mar is dêr – nei de nije stavering fan begjin njoggentiger jierren – mei ophâlden.
De lêste jierren skriuwt hy mearst yn it Stellingwarfsk, wat yn it Nederlâns en sa út en troch dan dochs ek wer wat yn it Frysk.
Op 't heden is hy – njonken syn gewoane deistich wurk – noch drok dwaande mei it drukklear meitsjen fan de ‘Biebel in et Stellingwarfs’, in wurk dat aanst op Âlde Maaie yn boekfoarm syn beslach krije moat.
Ek alwer mear as trije jier is hy haadredakteur fan it ienichste Stellingwarfske e-mail moanneblêd 'An de liende', in magazine mei fanalles en noch wat dat mei de Stellingwarfske taal en kultuer – en wat dêr stiif tsjinoan leunet – te krijen hat.
Fierder hat hy noch wylde plannen oer it opzetten van EduStellingwarfsk op it internet nei foarbield fan EduFrysk, en in Taalbank oer wat der allegearre geande wie en wat der hjoed de dei noch allegearre geande is yn de taal- en kultuerbeweging fan de Stellingwarven.

Foar it projekt fan ‘It heiteleaze bern’ hat Piet in sketch yn Stellingwarfske wurden makke, hoe’t it der yn de midsieuwen rjochtens om en ta gong as de heit út de tiid rekke en mem en har bern mar sjen moastten. It bernspat fan heiten erfenis mocht nearne ta brûkt wurde, útsein yn trije gefallen, de saneamde ‘noaden’... ‘Noodrecht’.

*

In et Stellingwarfs...

Piet Bult is geboren en opgruuit in de Stellingwarven. Hi’j komt van oorsprong uut Donkerbroek en woont now alweer meer as zeuventien jaor in Ni’jberkoop.
Piet het an ongeveer 1982 toe een protte in et Fries schreven, o.e. veur – destieds – uutgeveri’je ‘Alternatief’ van Lyckele Jansma in Butenpost mar is daor – nao de ni’je spelling van begin negentiger jaoren – mit ophullen.
De laeste jaoren schrift hi’j veural in et Stellingwarfs, wat in et Nederlaans en zo now en dan ok weer wat in et Fries. Op et heden is hi’j – naost zien gewone daegelikse wark – nog drok doende mit et drokklaor maeken van de ‘Biebel in et Stellingwarfs’, een kerwei dat dommiet op Oolde Meie in boekvorm zien beslag kriegen moet.
Ok alweer meer as drie jaor is hi’j heufdredakteur van et ienigste Stellingwarfs maondblad ‘An de liende’, een magazine mit vanalles en nog wat, dat mit de Stellingwarfse tael en kultuur – en wat daor stief tegenan leunt – te maeken het.
Veerder het hi’j nog wilde plannen over et opzetten van EduStellingwarfs op et internet naor et veurbeeld van EduFrysk, en een Taelbaank over wat d’r allemaole gaonde was en wat d’r vandaege-de-dag nog allemaole gaonde is in de tael- en kultuurbeweginge van de Stellingwarven.

Veur et projekt van ‘It heiteleaze bern’ het Piet een skets in Stellingwarfse woorden maekt, hoe et d’r in de middeliewen rechtens an toe gong, as de vader uut de tied raekte en moeke en kiend heur mar zien mossen te redden. It kiendspat van heiten arfenisse moch gienertied bruukt wodden, behalven in drie gevallen, de zonuumde ‘noden’... ‘Noodrecht’.

***



***

Beatrijs

 Het dichten brengt me weinig voordeel.
 De meeste mensen zijn van oordeel
 dat ik een ander vak moet leren.
 En toch, om haar te eren 

5 die als moeder maagd kon blijven,
 wil ik een wonder gaan beschrijven
 waarmee de Here God beoogde 
 Maria te loven, die hem zoogde.

 Over een non wil ik gaan dichten:
10 moge God mijn geest verlichten,
 want ik moet hoofd- en bijzaak scheiden
 en dit tot een goed einde leiden.

 Ik moet me aan de feiten houden
 die Gijsbrecht me eens toevertrouwde,
15 een monnik die als schriftgeleerde
 dagelijks boeken bestudeerde

 en daarin ook dit wonder las.
 De non, van wie al sprake was,
 was een edelvrouw, zo fijn van zeden
20 dat men er, naar ik meen, op heden 

 niet één meer vindt van dat gehalte,
 van zowel zeden als gestalte.
 Als ik de lof zong van haar leden
 en van al haar bekoorlijkheden,

25 zou dat de hoorder weinig stichten.
 Hoor dan, wat ze voor werk verrichtte
 gedurende de lange tijd
 dat ze gekleed was in 't habijt,

 daar in dat mooie klooster, waar
30 ze kosteres was, jaar na jaar.
 Ze was nooit lui of onzorgvuldig,
 bij dag of nacht nooit ongeduldig,

 was vlug en vaardig in haar werk,
 moest de klok luiden in de kerk,
35 lei boeken klaar, stak kaarsen aan,
 heeft 's morgens 't klooster op doen staan.
 
 Maar met dat al was ze niet zonder
 't gevoel dat aandoet als een wonder
 bij wie het treft, in alle landen:
40 de liefde, die nu eens tot schande,

 ziekte, wraak of weemoedigheid
 en dan ook weer tot vreugde leidt.
 De wijze maakt ze tot zo'n zot
 dat hij de slaaf wordt van zijn lot,

45 of dat hem nu verheugt of spijt.
 Sommigen raken de kluts goed kwijt:
 moeten ze nu spreken of zwijgen
 om het gewenste te verkrijgen?

 Liefde loopt menigeen onder de voet,
50 die ze al dan niet weer opstaan doet
 en ze maakt tot gulle lieden
 wie geen stuiver zouden bieden 

 als zij het niet voor zou schrijven.
 Er zijn er ook, die standvastig blijven,
55 die samen delen in hun leven
 al wat de liefde heeft gegeven

 aan blijdschap en genot en rouw
 en zulke liefde noem ik: trouw.
 Er is niemand die overziet
60 hoeveel geluk, hoeveel verdriet

 de liefde kunnen vergezellen.
 Daarom mag je geen oordeel vellen
 over de liefde van die non,
 waar ze niet aan ontkomen kon.

65 Want de duivel ziet er op toe
 de mens te verleiden, hij wordt het nooit moe:
 bij dag of nacht en vroeg of laat
 is hij druk doende met het kwaad.

 Veel streken heeft hij uitgevonden
70 om te bekoren met vleselijke zonden.
 De arme non stierf duizend doden
 en ze bad God, haar in haar noden

 troost te geven door Zijn genade.
 Ze zei: 'Ik ben zo zwaar beladen
75 met niets dan liefde, en zo gewond
 - Hij weet het, die tot op de grond

 van de zielen af kan dalen -
 dat mijn ziekte me doet verdwalen.
 Ik moet een ander leven leiden,
80 dus ik leg mijn habijt terzijde.'

 Hoor, hoe het haar hierna verging.
 zij deed meteen de jongeling
 van wie ze hield een brief toekomen
 met wat moest worden ondernomen: 

85 hij zou in't klooster haar ontmoeten
 en zo zijn nieuw geluk begroeten.
 De bode kwam, waar de jongen was.
 Die pakte de brief en las

 wat zijn vriendin hem had geschreven.
90 Het heeft hem grote vreugde gegeven
 en hij haastte zich naar daar.
 er was al sinds hun twaalfde jaar

 liefde tussen deze twee
 en ze hadden het daar moeilijk mee.
95 Naar 't klooster ging hij rijden
 waar hij bij 't raampje haar verbeidde

 dat daar in de bezoekzaal zat.
 Voorzichtig vroeg hij naar zijn schat,
 of hij haar mocht spreken en zien.
100 Ze kwam een ogenblik nadien

 om een blijk van liefde op te vangen
 bij 't raampje, dat met ijzeren stangen
 in lengte en breedte was bevlochten.
 Hoe ze toch tegen hun tranen vochten,

105 want hij zat buiten en zij zat binnen
 en zo konden ze niets beginnen.
 Daar zaten ze, het leken uren
 en zij hadden zoveel te verduren:

 verblekend, blozend, droef en blij.
110 'Ach lieveling,' verzuchtte zij,
 'ik heb er zo veel moeite mee,
 toe, zeg me gauw een woordje of twee

 dat mij een beetje troosten kan.
 Ik word er zo wanhopig van,
115 de liefdesangel in mijn hart
 steekt me en geeft me pijn en smart.

 Ik zal dagelijks moeten lijden
 totdat jij me komt bevrijden.'
 Hij koos zijn woorden keurig:
120 'Ook ik, vriendin, ben treurig,

 want al vele lange dagen
 moeten wij dit verdragen.
 Als ik je wilde kussen,
 dan kwam er steeds wat tussen.

125 Aan Venus met haar streken
 zijn wij bijna bezweken;
 moge God haar verdoemen,
 want ze laat twee mooie bloemen

 moedeloos de kopjes buigen.
130 Als ik jou kon overtuigen
 het habijt terzij te leggen
 en mij dan de tijd te zeggen

 dat ik je hier vandaan kon leiden…
 Ik zou alles voorbereiden:
135 mooie kleren zou je dragen,
 rijke voering, bonten kragen,

 mantel, jurk en overkleed.
 Met jou deel ik lief en leed,
 ik blijf bij je in de zure 
140 en de zoete avonturen

 als jij geloof hecht aan mijn woorden.'
 'Vriend, dit is wat ik graag hoorde,' 
 zei ze, 'dus neem ik het aan
 en wil zover met je gaan

145 dat geen mens in de abdij 
 meer iets weet van jou en mij.
 Kom dan over zeven nachten
 en dan moet je op me wachten 

 in die mooie boomgaard daar,
150 bij de wilde rozelaar.
 Dan kom ik een deurtje uit
 en dan ben ik dus je bruid,

 die zal gaan waar jij begeert.
 Zolang mij geen ziekte deert
155 en geen narigheid of pijn,
 zal ik zijn waar jij zult zijn

 en je zorgen helpen dragen.
 'k Wou van jou hetzelfde vragen.' 
 
 Toen dit was overeengekomen,
160 heeft hij afscheid van haar genomen
 en ging naar zijn gezadeld paard
 en toen reed hij in volle vaart
 over gras en over hei
 naar een stad, daar vrij dichtbij.
165 Denk niet dat hij zijn lief vergat:
 hij ging winkelen in die stad,
 kocht blauwe stof en ook scharlaken
 en daarvan liet hij maken:
 een mantel en een kap, heel breed,
170 een jurk en ook een overkleed,
 alles afgezet met bont.
 Niemand die ooit vrouwen vond
 met mooiere kleren om te dragen:
 ze werden geprezen door al wie ze zagen.
175 Mes en gordel, beugeltas
 kocht hij haar, hoe duur 't ook was,
 gouden haarnetten en ringen,
 en nog veel meer mooie dingen.
 Naar al 't bijzondere liet hij vragen
180 dat een bruid maar kan behagen.
 Met geld genoeg voor een paleis
 ging hij in de avond laat op reis,
 is de stad heimelijk uitgereden
 met op zijn paard de kostbaarheden 
185 goed opgetast. Met flinke spoed
 reed hij het klooster tegemoet.
 Volgens afspraak zat hij daar 
 onder de wilde rozelaar
 tussen de bloemen en de dauw 
190 totdat zijn liefste komen zou.
 
 We laten hem daar even blijven
 om 't mooie meisje te beschrijven
 dat hem niet uit haar hoofd kon zetten,
 die nacht, bij 't luiden van de metten.
195 Toen de metten waren gezongen
 door zowel de ouden als de jongen
 die in dat klooster waren gegaan
 en ze uit het koor vandaan
 naar de slaapzaal gingen met hun allen,
200 liet zij zich op haar knieën vallen
 en ze sprak innige gebeden,
 zoals zo vaak in het verleden.
 Heel angstig lag ze voor 't altaar
 en deze woorden bad ze daar:
205 'Maria, moeder vol genade,
 mijn lichaam, het kan na mijn daden
 het habijt niet meer verdragen.
 U kent in al zijn levensdagen
 de mens en zijn onzekerheden.
210 Ik heb gevast en heb gebeden
 en ben mezelf ook gaan kastijden,
 maar 't bracht geen oplossing voor 't lijden.
 De liefde liep me onder de voet,
 zodat ik het wereldse dienen moet.
215 Zo waar, Heer, als u werd gevangen
 en tussen twee boeven gehangen
 aan een kruis dat uw leden rekte,
 zo waarlijk als U Lazarus wekte
 uit zijn graf en uit zijn dood,
220 zo waarlijk kent U al mijn nood.
 U kunt mij de zonden vergeven
 waarin ik zal moeten leven.'
 
 Daarna heeft ze het koor verlaten
 om met Maria te gaan praten:
225 ze is voor haar klein beeld getreden
 en knielde daar en heeft gebeden,
 dat ogenblik van angst bevrijd:
 'Dag en nacht heb ik wat ik lijd
 U toevertrouwd: al mijn verdriet,
230 maar veel geholpen heeft het niet.
 Ik raak al mijn verstand nog kwijt
 als ik langer blijf in dit habijt!'
 Ze trok haar pij uit en legde die daar
 op het Onze Lieve Vrouwe-altaar.
235 Ze heeft haar sandalen uitgedaan
 en hoor, hoe dit nu door zal gaan:
 De sleutels van de sacristie
 hing ze vlak bij Maria, die
 daar stond, vlak tegenover haar.
240 Ze hing die zware sleutels daar
 opdat die in het oog zouden springen 
 als de getijden weer aanvingen.
 Want iedereen is wel zo goed 
 dat hij Maria even groet,
245 iedereen kijkt haar toch aan,
 zegt 'ave', voor weer door te gaan.
 Dat leek de non een zeker ding,
 zodat ze daar de sleutels hing.
 
 Daar ging ze dan in al haar leed,
250 slechts in een onderjurk gekleed,
 is naar een deurtje toegelopen
 en deed het voorzichtig open
 en ongemerkt ging ze daaruit,
 stilletjes, zonder geluid.
255 Vol van vrees kwam ze onder de bomen
 en de jongeling zag haar komen
 en hij zei 'Lieveling, schrik maar niet,
 het is je vriend, die je hier ziet.'
 Toen die twee daar samenkwamen,
260 toen begon ze zich te schamen,
 want ze stond in haar ondergoed,
 met niets op 't hoofd of aan de voet.
 Hij zei: 'Meisje van mijn verlangen,
 ik zal je lichaam gaan omhangen 
265 met mooie sjaals en mooie kleren,
 je hoeft je niet lang meer te generen,
 want alles ligt al voor je klaar.'
 Toen gingen ze onder de rozelaar
 en daar waren kleren genoeg,
270 veel meer dan waar ze ooit om vroeg.
 Van alles gaf hij haar twee paar;
 de blauwe kleren nam ze daar,
 fijn van snit en goed van pas.
 en zo vriendelijk als hij was…
275 Hij lachte: 'Lief, dit hemelsblauw
 staat beter dan dat kloostergrauw.'
 Twee kousen trok ze aan,
 twee Cordoba-schoenen, welgedaan,
 die haar zoveel beter stonden
280 dan die sandalen, met linten gebonden.
 Hij wilde haar ook verblijden
 met sluiers van witte zijde,
 die ze over haar hoofd heenhing.
 Nu kuste haar de jongeling
285 vriendelijk op haar mond. 
 Het leek hem, toen ze voor hem stond,
 of de zon al was gaan stralen.
 Vlug is hij zijn paard gaan halen
 en heeft haar vóór zich in 't zadel gezet
290 en ze reden, door geen mens belet
 aan één stuk door tot het ging dagen
 en ze geen achtervolgers zagen.
 Toen het al licht werd in het oosten,
 zei ze: 'God, die de wereld kan troosten…
295 laat Uw zegen op ons dalen.
 Ik zie de eerste zonnestralen:
 was ik het klooster nog niet uit, 
 ik had de ochtendklok geluid,
 was als eerste in 't koor gekomen
300 in dat klooster met zoveel vromen.
 Mijn reis zal mij misschien berouwen,
 de wereld is zo slecht te vertrouwen
 en ik krijg mijn deel daarvan.
 De wereld lijkt op een handelsman
305 die waardeloze kermisdingen
 aan de man brengt als gouden ringen.'
 
 'Hemels mooi meisje, zo moet je niet praten.
 als ik jou ooit zou verlaten,
 dan moge God mij kwellen.
310 Ik zal je altijd vergezellen, 
 in voorspoed en grote nood, 
 niets kan ons scheiden dan de dood.
 Waarom twijfel je aan mij? 
 Kwade trouw was er nooit bij 
315 en op jou was ik nog nooit boos.
 Sinds ik jou als de liefste koos, 
 liet ik zelfs geen keizerinnen
 meer in mijn gedachten binnen.
 Wou er zo een met me leven,
320 'k zou aan jou de voorkeur geven.
 Ons kan weinig overkomen,
 ponden heb ik meegenomen,
 geld genoeg voor een paleis.
 Wees een dame, tot elke prijs.
325 Al gaan we naar Parijs of Wenen,
 ik zal geen geld hoeven te lenen
 nog in geen zeven jaren.'
 Ze zagen plotseling waar ze waren:
 aan de zoom van een prachtig bos.
330 De vogels zongen er lustig op los,
 zodat je hun verliefd chanson
 ver in de omtrek horen kon.
 Elk zong zoals 't hem mocht gebeuren.
 En bloemen in hun felle kleuren
335 waren op 't groene veld ontloken,
 zo mooi, en die zo heerlijk roken.
 Onder de heldere, wonderschone
 hemel stonden veel fraaie bomen,
 allemaal rijk gevuld met blaren.
340 Nu ging de jongen iets verklaren
 dat hij al heel lang in zich droeg.
 'Liefste,' zei hij, ''tis hier mooi genoeg
 om wat te dwalen en bloemen te plukken
 en de dingen te doen die het hart verrukken:
345 't is hier geschikt voor het minnespel.'
 'Boerenkinkel,' zei ze, 'wat denk je wel!
 Moet ik vrijen in 't open veld,
 zoals vrouwen het doen, voor geld
 met hun ordinaire lijven?
350 Ik zou niet weten waar ik moest blijven 
 van schaamte. Nu weet ik, vent,
 dat je een boerenhufter bent.
 God zal je om dit voorstel haten
 en met zo iemand heb ík me ingelaten.
355 Nou ja, als je 't maar niet zult herhalen.
 Hoor! De vogeltjes in de dalen,
 hoor ze zingen en hoe ze kwelen, 
 dan hoef je je niet te vervelen.
 Als ik bij je ben en naakt
360 op een bed, goed opgemaakt,
 doe dan al wat je behaagt,
 alles waar je hart om vraagt,
 maar je maakt me witheet van binnen
 door er hier over te beginnen.'
 
365 Hij zei: 'Liefste, wees niet meer kwaad.
 Ik luisterde naar Venus' raad.
 God geve me schande en plagen
 als ik er ooit weer van zal gewagen.'
 Ze zei: 'ik vergeef het je dan.
370 Je bent voor mij de enige man
 van al wie er op aarde wonen.
 Al leefde Absalom, de schone,
 en al zou hij mij verklaren
 dat ik met hem duizend jaren
375 in weelde en rust zou mogen leven,
 ik zou jou er niet voor geven.
 Liefste, ik heb jou uitverkoren.
 Geen die over mij zal horen
 dat ik jou ooit was vergeten.
380 Was ik in 't hemelrijk gezeten
 en jij hier beneden,
 ik kwam naar jou met rasse schreden.
 Oei…God, laat het ongewroken
 dat ik zo dwaas heb gesproken:
385 aan de blijdschap in het hemelrijk
 is hier geen enkele vreugde gelijk.
 Daar is de minste zo volmaakt
 dat hij naar niets anders haakt
 dan zijn gezicht naar God te wenden.
390 Al het aardse is ellende,
 het beste op aarde haalt het niet
 bij het minste dat men daar ziet.
 Wie dat beseffen, leven goed.
 Dat weet ik, ook nu 'k dwalen moet
395 en mij in zonden ga begeven, 
 lieveling, door met jou te leven.'
 
 Aldus verliepen hun gesprekken.
 Ze zijn door berg en dal gaan trekken
 en daar is zoveel meer geschied,
400 dat zeg ik allemaal maar niet.
 Een lange reis was dat,
 toen kwamen ze bij een stad
 in een van de mooiste dalen.
 Daar konden ze hun hart ophalen:
405 een aantal jaren, en wel zeven,
 hadden ze daar een luxe leven
 en bedreven de liefde samen
 zodat er twee kinderen kwamen.
 Maar toen ze na die zeven jaren
410 door al hun geld heen waren,
 toen moesten ze van alles belenen
 en toen, achter elkaar, verdwenen
 kleren, sieraden en paarden:
 alles verkocht voor de halve waarde, 
415 heel hun welvaart naar de maan.
 Ze hadden geen middelen van bestaan:
 zij kon zelfs geen garen spinnen
 om de kost ermee te winnen.
 Daarbij: er kwamen steeds hogere prijzen
420 voor bier en wijn en alle spijzen,
 voor al wat je drinken kon of bijten.
 En toen kwamen de verwijten.
 Ze waren allebei liever dood 
 dan te gaan bedelen om brood.
425 De armoede spaarde hun liefde niet
 al deed het hun beiden veel verdriet.
 De man brak al zijn dure eden
 en liet haar in de narigheden,
 is naar zijn eigen land getogen
430 en was voor altijd uit haar ogen.
 Zij moest het met haar wondermooie 
 twee kinderen maar zien te rooien.
 
 Ze zei: 'Het is precies gegaan
 als ik vreesde van het begin af aan.
435 Ik ben nu in alle staten,
 want diegene heeft mij verlaten 
 op wie ik mij altijd verliet.
 Maria, Vrouwe, vergeet mij niet,
 bid voor ons drieën, hemelse bode,
440 dat de honger ons niet kan doden.
 Nu mijn bestaan in duigen viel,
 moet ik mijn lichaam en mijn ziel
 bevlekken met zondige daden.
 Maria, Vrouwe, heb genade.
445 Ook al kon ik garen spinnen,
 wat zou ik ermee winnen?
 In twee weken en half brood.
 Ik moet.gedwongen door de nood,
 buiten de stad, in't open veld
450 mijn lichaam verkopen voor geld
 om eten te kunnen krijgen,
 want ik moet toch mijn eigen
 kinderen te eten geven?'
 Zo ging ze in een zondig leven,
455 want men vertelt, en het is waar,
 dat ze gedurende zeven jaar
 als publieke vrouw in het leven ging
 en menige zonde ontving
 door aan wildvreemde lieden
460 haar lichaam aan te bieden.
 Ze vond er weinig genoegen in,
 ze deed het voor een schamel gewin,
 waarmee ze haar kinderen te eten gaf.
 Ik zie ervan af
465 haar zonden te beschrijven, onnoemelijk zwaar,
 waar ze in leefde, veertien jaar.
 Maar één ding vergat ze niet
 in al haar ellende en verdriet:
 ze bad alle dagen in vol vertrouwen
470 de zeven getijden van Onze Lieve Vrouwe.
 Dat deed ze om Maria te eren:
 die kon haar terug doen keren
 uit de zondige daden
 waarmee ze was beladen
475 al een volle veertien jaar
 en dat is maar al te waar.
 Zeven jaar was ze met een man,
 daar kwamen twee kinderen van,
 hij liet haar in de ellende,
480 zodat ze niets dan zorgen kende.
 De volgende zeven hebt u ook gehoord,
 maar hoe zette ze haar leven voort?
 
 De veertien jaren waren voorbij.
 Toen gaf God haar berouw, zodat zij
485 zich schuldig voelde en zo bezwaard
 dat ze liever met een scherp zwaard
 haar hoofd eraf had laten slaan
 dan dat ze meer zonden had begaan,
 haar lichaam nog langer had bevuild.
490 Dag en nacht heeft ze zo gehuild
 dat haar ogen maar zelden droogden.
 Ze zei: 'Maria, die God zoogde,
 bron van genade boven alle vrouwen,
 laat mij niet nog langer rouwen.
495 Vrouwe, U hebt ondervonden
 dat ik spijt heb van mijn zonden
 en U weet, ze doen me zeer.
 Er waren er zoveel, ik weet niet meer
 waar ik ze deed en met wie allemaal.
500 Helaas! Ze worden me fataal,
 want nu God me uit het oog heeft verloren,
 op de dag dat de zonden blijken
 van de armen zowel als de rijken:
505 als alle misdaden worden gewroken
 die niet in een biecht werden besproken
 en waarvoor geen boete is gedaan.
 Daar is geen enkele twijfel aan
 en daarvoor vrees ik al mijn dagen.
510 Al zou ik een haren kleed gaan dragen
 en er in gaan kruipen, om te boeten,
 van land naar land, op handen en voeten,
 barrevoets, zonder kous of schoen,
 het zou niet zoveel goed kunnen doen
515 dat mijn schuld me dan verliet.
 Maria, waarom troost U me niet?
 Bron van genade, boven alles verheven,.
 die alle mensen hoop kan geven: 
 Theophilus is er een voorbeeld van.
520 Geen groter zondaar dan die man,
 die zowel zijn ziel als zijn leven 
 aan de duivel in leen had gegeven
 en alles deed wat de duivel wou
 en toch door U verlost werd, o, Vrouw.
525 Al ging ik ook door alles heen
 en word ik geminacht door iedereen,
 wat voor een leven ik ook had,
 Vrouwe, U weet het toch, ik bad
 voor U altijd weer mijn gebeden.
530 Veracht mij niet om mijn verleden,
 want hoe meer me dat zal bedroeven,
 des te meer zal ik Uw hulp behoeven.
 Ik vertrouw toch met reden:
 niemand heeft vergeefs gebeden
535 van wie er dagelijks baden 
 'Ave Maria, vol van genade.'
 Wie U hun gebed doen horen,
 ze weten al van tevoren
 dat er troost komt en erbarmen:
540 U ontvangt ons in Uw armen,
 Gods uitverkoren bruid!
 Uw Zoon toch stuurde een bode uit,
 in Nazareth heeft hij U gevonden,
 met een bericht, nooit eer verzonden,
545 en nog nooit van een bode gehoord:
 dat Gij volgens dit heilig woord
 gezegend onder de vrouwen zijt.
 Daardoor bent U nog steeds verblijd,
 en spreekt iemand U aldus aan,
550 al leidt hij nog zo'n zondig bestaan,
 U maakt hem geen verwijten
 en zult bij Uw Zoon voor hem pleiten.'
 Zo bad de zondares alle dagen,
 zo bleef ze almaar smeken en klagen.
555 Ze nam een kind in elke hand
 en zo trok ze door het hele land,
 bedelend of men wat wilde geven,
 want ze moest van de aalmoezen leven.
 Ze doolde net zo lang de wereld rond
560 tot ze bij toeval het klooster vond
 waar ze verbleven had als non.
 Ze is na 't laatste licht van de zon
 bij het huis van een weduwe aangekomen
 waar ze vroeg om een onderkomen
565 omdat ze nu niet verder kon reizen.
 'Ik kan u echt de deur niet wijzen,'
 zei de weduwe, 'met die twee schapen,
 die al bijna lopen te slapen.
 Rust daar maar even, 
570 uw deel zal ik u geven
 van wat God mij wilde schenken
 om Zijn Moeder te gedenken.'
 Met haar kinderen mocht ze daar eten
 en nu zou ze heel graag weten
575 hoe in 't klooster de zaken stonden.
 'Beste vrouw,' vroeg ze onomwonden,
 'is dat daar het klooster van de edelvrouwen?'
 'Ja,' zei die, 'daar kunt u op vertrouwen
 en u zult nergens een klooster betreden
580 met zoveel aanzien en kostbaarheden.
 De nonnen die er habijten dragen,
 u kunt het bij iedereen na gaan vragen,
 die zijn zo rein en vol goede werken,
 daar is niet dát op aan te merken.'
 
585 En zij die bij haar kinderen zat,
 ze zei: 'Waarom zegt u dat?
 Ik hoorde nog geen week geleden
 over zekere narigheden,
 het waren hele vreemde zaken
590 en 't had met de kosteres te maken.
 Iemand bezwoer me als echt waar
 dat die hier voor veertien jaar 
 zomaar uit het klooster verdween
 en dat niemand weet waarheen
595 en in welk land ze overleed.'
 Toen werd de weduwe witheet
 en zei: 'U zit uit uw nek te praten!
 Ik zou het nu maar laten
 om u zo over haar te uiten,
600 of u staat subiet weer buiten!
 In de veertien jaar dat zij
 kosteres was in de abdij,
 heeft men haar, zo vlijtig is ze,
 nog geen uur hoeven te missen
605 -of ze was dus ongesteld-
 zodat wie kwaad van haar vertelt,
 zich wel heel diep schamen moet.
 Zij is zo zuiver van gemoed
 als alle nonnen wensen mochten.
610 Als ze in alle kloosters zochten
 tussen de Elbe en de Gironde,
 denk dan maar niet dat ze iemand vonden
 die het in vroomheid bij haar haalt.'
 
 Zij, die zo lang had gedwaald,
615 voelde een wonder in deze woorden
 en ze zei: 'Als ik nou eens hoorde
 hoe haar vader en moeder heten.'
 Toen de vrouw haar dat liet weten,
 wist ze dat die háár bedoelde.
620 Ach, God, hoe ze zich die nacht voelde,
 huilend op de bedderand.
 'Niets,' zei ze, 'heb ik als pand
 dan alleen mijn diep berouwen.
 Help me dan, Maria, Vrouwe!
625 mijn zonden doen me wel zo'n pijn,
 als er een hete oven zou zijn,
 die zo verschrikkelijk gloeide
 dat de vlammen er uitsproeiden,
 ik zou er binnenlopen
630 als dat mijn zonden vrij kon kopen.
 Heer, U vindt wanhoop uit den boze,
 daarom ben ik geen radeloze.
 Hoop op genade heb ik altijd,
 al raak ik ook de schrik niet kwijt,
635 al leef ik ook in angst en beven.
 Nooit kon er zo'n grote zondaar leven,
 sinds U op aarde kwam
 en de vorm van een mens aannam
 en aan het kruis wilde bezwijken,
640 of U kwam hem de hand wel reiken
 als hem zijn zonden echt berouwden:
 ja, hij was alsnog behouden.
 Dit deelt het evangelie ons mee
 over die zondaar van de twee,
645 die aan Uw rechterzijde hing.
 't Is ons tot troost en leniging
 dat U zijn ziel wilde behouden
 zodra zijn zonden hem berouwden.
 Ik vertrouw hierop, met reden, 
650 want U zei: "Vriend, je zult heden
 met mij mijn koninkrijk in gaan,
 dat geef ik je te verstaan."
 Ook Heer, maakte U openbaar
 dat Gisemans de moordenaar
655 op 't allerlaatst om genade bad.
 Geen goud gaf hij en ook geen schat
 anders dan zijn berouw van zonden.
 Uw genade is niet te doorgronden,
 net zo min als men ooit iemand zag
660 die de zee leegschepte in één dag,
 tot op de allerdiepste gronden.
 Er was dus nooit zo'n grote zonde
 of Uw genade ging die te boven.
 Dus ook voor mij, zo wil ik geloven,
665 geldt Uw grenzeloze barmhartigheid,
 want ik heb grote, grote spijt.'
 
 Midden in deze gebeden
 kwam een slaap over al haar leden
 en toen is in haar dromen
670 het visioen gekomen
 dat een heldere stem haar riep
 waar ze lag en sliep:
 'Vrouw, je hebt zo lang gekermd
 dat Maria zich heeft ontfermd
675 over jou en genade heeft afgebeden.
 Je moet nu het klooster weer betreden.
 Je vindt de deuren wijd open
 waar je ooit bent uitgelopen
 met de man die jou liefde bood,
680 maar je in de steek liet in de nood.
 Je habijt met alles erop en eraan
 moet je op het altaar zoeken gaan.
 Trek pij en sandalen aan, doe meteen
 ook de sluier weer om je heen.
685 Bedank nu Maria maar.
 De sleutels van de sacristie zijn daar
 waar je ze voor het beeld ophing,
 die nacht dat je uit het klooster ging.
 Maria kon ze zo bewaren
690 dat de mensen jou die veertien jaren
 zelfs geen ogenblikje misten,
 niets van je verdwijning wisten.
 Maria houdt je zo te vriend
 dat ze aldoor voor je heeft gediend
695 in jouw gedaante en jouw kleren.
 Zij, die de hemel mag regeren,
 heeft dat, zondares, voor jou gedaan.
 Je moet weer naar het klooster gaan,
 waar niemand je bed heeft ingenomen.
700 Dit bericht is van God gekomen.'
 
 Toen hij dit duidelijk had gemaakt,
 is ze onmiddellijk ontwaakt
 en zei: 'God, die de wereld bouwde,
 U moet de duivel nu weerhouden
705 van 't brengen van meer droefenis
 dan er al is.
 Wat zouden ze in 't klooster zeggen?
 als ze me vingen als dievegge,
 kwam ik in nog veel meer verdriet
710 dan toen ik de abdij verliet.
 Ik smeek U, Heer, zo wijs en goed,
 bij het kostelijke bloed
 dat aan 't kruis Uw zij uitliep,
 laat de stem die mij riep 
715 -als die werkelijk is gekomen
 tot mijn voordeel- toch niet schromen
 zich nog eens te openbaren,
 ja, laat die drie keer verklaren
 dat ik echt van nu af aan
720 naar het klooster terug mag gaan.
 Dan zegen ik U daarboven
 en zal Maria altijd loven.'
 
 En de volgende nacht… nu luister…
 Kwam er een stem uit het duister
725 Die haar deze boodschap bracht:
 'Vrouw, nu niet te lang gewacht!
 Ga meteen weer in je klooster,
 dan is God voortaan je trooster.
 Doe wat Maria je gebiedt:
730 ik ben haar bode, twijfel niet!'
 Toen ze de stem, tot haar gekomen,
 ten tweede male had vernomen
 met het bevel in 't klooster te gaan,
 toen durfde ze het nog niet aan.
735 De derde nacht dacht ze bij zichzelf:
 'Misschien heeft een boosaardige elf
 een grap met me uit willen halen.
 'k Zal met gelijke munt betalen
 aan de duivel met al zijn kracht.
740 Als hij hier komt, vannacht,
 Heer, laat hem dan de kluts kwijtraken
 en zich uit de voeten maken
 eer hij mij nog meer schade doet.
 Moeder Maria, wees zo goed
745 en laat mij weer de stem verstaan
 die zegt dat ik in 't klooster moet gaan.
 Om het kind dat U hebt gedragen,
 Vrouwe, wil ik U dit vragen.'
 
 Ze bleef wakker, die derde nacht.
750 Een stem met goddelijke kracht
 en door een schittering omgeven,
 sprak: 'Zo kun jij niet verder leven.
 Wat Maria jou via mij gebiedt,
 waarom doe je dat toch niet?
755 Vrouw, je wacht al veel te lang.
 Ga in 't klooster, wees niet bang,
 je ziet er de deuren wijd openstaan
 en waar je gaan wilt, mag je gaan.
 Je habijt vind je aldaar,
760 want het ligt op het altaar.'
 Dit sprak de stem met veel gezag
 en toen werd de zondares die daar lag
 door de glans bijna verblind
 En zei: 'Wat ik hier bevind,
765 is werkelijk door God gezonden
 en door Maria in orde bevonden.
 Dit is geen leugen, dit is waar,
 ik besef het zonneklaar.
 Nu heb ik me voorgenomen
770 in het klooster terug te komen.
 Ik zal op de troost vertrouwen
 van haar, van Onze Lieve Vrouwe,
 en mijn kinderen zullen beiden
 leven onder Gods geleide,
775 zodat het goed met hen zal gaan.'
 Toen heeft ze haar kleren uitgedaan
 om haar kinderen daarmee toe te dekken,
 zachtjes, om ze niet te wekken.
 Ze kuste hen alletwee op de mond
780 en zei: 'Mijn kinderen, blijf gezond.
 in de troost van Onze Lieve Vrouwe
 laat ik jullie achter, in goed vertrouwen.
 'k Had zonder Maria als advocate
 jullie hier niet achtergelaten,
785 niet voor alle schatten van Rome.'
 Hoor, wat haar verder is overkomen.
 
 In tranen heeft de kinderloze
 de kortste weg naar het klooster gekozen.
 Ze is door de boomgaard heengelopen
790 en vond er een zijpoortje open.
 Daar liep ze dan, heel snel.
 'Maria, dank U wel.
 Nu ben ik binnen de muren,
 geef mij geen nieuw verdriet te verduren.'
795 Waar ze kwam heengelopen,
 stond de deur wijd voor haar open.
 Ze is in de kerk gegaan
 en sprak God zachtjes aan:
 'Lieve Heer, dit wil ik vragen:
800 help mij het habijt weer dragen
 dat ik neerlegde, voor veertien jaar,
 op het Onze Lieve Vrouwe-altaar,
 de nacht dat ik de abdij verliet.'
 Wat ik nu zeg, lieg ik niet,
805 805 al kan ik het niet verklaren:
 sluier, pij en sandalen waren
 er onaangeroerd gebleven
 sinds ze wegging uit dat leven.
 Vlug ging zij zich daarin kleden
810 en toen heeft ze dit gebeden:
 'Goede God, en Maria, zo rein,
 wel gezegend moet U zijn.
 U, de bloem van alle deugden,
 die in maagdelijke vreugden
815 baarde, zonder wee of pijn,
 wie voor altijd Heer zal zijn.
 Ongemeten is Uw waarde,
 Uw kind maakte hemel en aarde.
 God heeft U 't gezag gegeven
820 dat wij dienen, heel ons leven.
 Onze Heer, ons aller broeder,
 Hij gehoorzaamt U als moeder
 én mag U Zijn dochter heten,
 tot grote troost voor wie dat weten.
825 Men kan U genade vragen
 tot in de allerlaatste dagen.
 Uw hulp is geweldig groot.
 Ik had verdriet en was in nood,
 maar U hebt het zo omgekeerd
830 dat me verblijdt wat me heeft bezeerd.
 U te dienen is mijn verlangen.'
 En toen zag ze de sleutels hangen
 van de sacristie, waar ze die hing
 voor ze de abdij verlaten ging.
835 Ze heeft de sleutels meegenomen
 en ze is bij het koor gekomen,
 waar ze lampen zag branden in alle hoeken.
 Daarna liep ze rond met de boeken
 tot ze allemaal op hun plekje lagen,
840 80 zoals ze 't deed in vroeger dagen.
 Tot Maria heeft ze gebeden
 om hulp uit de narigheden,
 om die twee, die ze achterliet
 in het huis van de weduwe, in groot verdriet.
845 Van deze dag waren de uren gedaan:
 het kleine uurwerk begon te slaan,
 hetgeen de middernacht beduidde.
 Ze nam het klokketouw en luidde
 de mettentijd zo diepbewogen
850 dat alle nonnen hun bed uitvlogen,
 die boven in de slaapzaal lagen,
 zowel de vluggen als de tragen.
 En zonder dat ééntje had kunnen horen
 dat een ander hen wekte dan daags tevoren.
855 Ze bleef in het klooster, de rest van haar tijd.
 Er was geen geroddel, geen enkel verwijt.
 Maria was in haar plaats komen werken
 en niemand had het verschil kunnen merken.
 Zo was de zondares bekeerd
860 dank zij Maria, die elk vereert,
 die de hemel mag regeren
 en die zonder mankeren
 haar vrienden weet te bereiken 
 als die onder zorgen bezwijken.
 
865 De vrouw van wie u 't verhaal mocht horen,
 is weer kloosterzuster als tevoren.
 Maar vergeten we nu ook niet:
 de kinderen die ze achterliet
 in 't huis van de weduwe, in grote nood,
870 want daar was geen geld en ook geen brood.
 Ik zou u liever maar besparen
 hoe diep bedroefd ze waren
 zo zonder moeder, en hoe geschrokken.
 De weduwe heeft ze op schoot getrokken,
875 ze had verschrikkelijk medelijden.
 Ze overdacht: ik ga met die beiden
 me naar de abdij begeven,
 waar God de abdis wel in zal geven
 dat ze hen bij moet staan.
880 Ze deed hun de kleren en schoenen aan
 en ging met hen naar de abdij.
 Ze toonde ze aan de abdis en zei:
 'Zie de nood van deze twee wezen:
 de moeder liet ze in angst en vrezen
885 in mijn huisje achter, 's nachts,
 en verdween toen onverwachts,
 naar weet ik waar in west of oost.
 Ze liet de kinderen zonder troost.
 Ik hielp ze graag, als ik wist hoe.'
890 De abdis sprak haar toe:
 'Laat ze bij u blijven wonen,
 ik zal u daarvoor belonen,
 daarvoor hoeft u niet te vrezen,
 want ons potje voor de wezen
895 kan heus nog wel wat verduren.
 U moet daags een bode sturen
 die drinken voor hen haalt en eten.
 Ontbreekt hen iets, laat me dat weten.'
 De weduwe was blij
900 met wat de abdis haar zei.
 Ze heeft de kinderen weer meegenomen,
 dus die zijn goed terechtgekomen.
 De moeder, die hen eens mocht zogen,
 en pijnen om hen moest gedogen,
905 voor haar was het een opluchting 
 dat het hun zoveel beter ging,
 die twee, die ze zoveel verdriet
 bezorgde, toen ze hen verliet.
 Dat het goed ging met die kinderen,
910 deed haar zorgen flink verminderen.
 Ze leidde voortaan een vroom leven,
 met nog heel wat zuchten en beven,
 zowel 's nachts als overdag
 als ze haar leven overzag
915 en berouw had van haar zonden,
 die niemand kon doorgronden,
 die voor de wereld verborgen bleven
 en die ze niet heeft opgeschreven.
 
 Hierna kwam er op een dag
920 een abt, die men daar vaker zag:
 hij inspecteerde alle jaren
 het klooster, of daar dingen waren
 die niet door de beugel konden.
 Eens per jaar deed hij zijn ronde.
925 De dag dat de abt in 't klooster zat,
 lag de zondares in het koor en bad
 haar gebed in de stilte daar.
 Twijfels overvielen haar:
 de duivel had haar schaamte gegeven
930 om te maken dat ze haar leven
 niet aan de abt zou openbaren.
 Toen ze daar zo lag te staren,
 zag ze een jongeling die daar schreed,
 helemaal in het wit gekleed.
935 Op zijn arm droeg hij een bloot
 klein kind, het leek haar al dood.
 De jongeling gooide een paar keer 
 een appel op en ving hem weer 
 om het kindje te vermaken.
940 Dit moest haar in 't hart wel raken,
 die daar zo heel stilletjes bad.
 'Vriend,' zei ze, 'wat betekent dat?
 Als u gezonden bent van God,
 dan vraag ik u bij Zijn gebod
945 dat u me de reden leert 
 waarom u 't kindje amuseert
 met die appel, zo mooi rood
 het kind op uw arm is toch dood?
 Hij merkt niet wat u voor hem doet.'
950 'Zeker, non, dat zie je goed.
 De vreugde van het spelen
 kan dit kind niet meer delen,
 het is dood en hoort noch ziet.
 En precies zo … weet God ook niet
955 dat jij gebeden zegt en vast.
 Het helpt je echt geen barst,
 het kan je geen goeds bereiden,
 net zo min als je zelf kastijden.
 Jij leeft nog zo in zonden voort
960 dat God je gebeden niet hoort,
 daar waar hij is gezeten.
 Daarom moet je dit weten:
 maak voort, non, en benader
 de abt. Hij is een vader,
965 biecht je zonden zonder te liegen,
 laat de duivel je niet bedriegen.
 Al wat je de abt komt melden,
 kan hij je kwijt doen schelden,
 maar waar je niet van wilt spreken,
970 dat zal God vreselijk op je wreken!'
 De jongeling hoefde niet méér te betogen
 en ging voor altijd uit haar ogen,
 maar 't was goed: ze begreep hem toch?
 En diezelfde ochtend nog
975 is ze bij de abt gekomen
 opdat haar de biecht werd afgenomen.
 Hij was wijs en welgezind
 en hij zei: 'M'n lieve kind,
 dat weiger ik natuurlijk niet.
980 Als jij je zonden overziet
 en overdenkt, zal ik ze horen.'
 Naar waar niemand hen kon storen
 hebben ze zich toen begeven
 en ze vertelde hem heel haar leven,
985 alles wat haar was overkomen:
 hoe haar verstand haar was ontnomen
 door liefde, dat ze in dwaze grillen
 niets anders had te willen
 dan 't habijt toe te vertrouwen 
990 aan 't altaar van Onze Lieve Vrouwe
 om te vertrekken met een man.
 Daar kwamen twee kinderen van.
 Van alles wat haar was geschied,
 verzweeg ze zelfs het ergste niet.
995 Alles wat haar had verward,
 biechtte ze uit de grond van haar hart.
 En de abt, die dat daar hoorde,
 die vrome vader sprak de woorden:
 'Dochter, ik zal je absolveren, 
1000 van de zonden die je deren,
 die je pijn doen, sinds lange tijd.
 Gods moeder zij gebenedijd
 en boven alles geloofd.'
 Hij legde een hand op haar hoofd,
1005 waarmee de zonde van haar week.
 Hij zei: 'Ik zal in een preek
 de mensen van je biecht berichten,
 maar ik zal het zo verdichten
 dat niemand op 't idee zal komen
1010 dat het jou en je kinderen is overkomen:
 niemand zal een vermoeden krijgen.
 Het zou niet goed zijn om dit te verzwijgen,
 dit mooie wonder, dat de Here
 voltrok om Zijn moeder te eren.
1015 Ik zal 't verkondigen, overal,
 want door dit verhaal toch zal
 menige zondaar zich bekeren
 en Onze Lieve Vrouwe eren.'
  
 Hij ging 't klooster onderwijzen,
1020 eer hij weer naar huis moest reizen,
 wat er met een non was geschied.
 Wie ze was, daar zijn ze niet
 in de verste verte achtergekomen.
 De abt heeft afscheid genomen
1025 en hij nam de non haar beide
 kinderen onder zijn geleide.
 Hij gaf ze beiden een grauwe pij
 en vrome mannen werden zij.
 Hun moeder heette Beatrijs.
1030 Aan God alle lof en prijs
 en aan Maria, die Hem zoogde
 en die met dit wonder beoogde
 te tonen dat ze helpt in de nood.
 Laten wij bidden, klein en groot
1035 aan wie dit wonder is voorgedragen:
 dat het Maria moge behagen
 onze voorspraak te zijn in het zoete dal
 waar God de wereld oordelen zal.
  
 Amen.

***

Home
Naar boven

Beatrijs

 Van dichten comt mi cleine bate.
 Die liede raden mi dat ict late
 Ende minen sin niet en vertare.
 Maer om die doghet van hare,

5 Die moeder ende maghet es bleven,
 Hebbic een scone mieracle op heven,
 Die God sonder twivel toghede
 Marien teren, diene soghede.

 Ic wille beghinnen van ere nonnen
10 Een ghedichte. God moet mi onnen
 Dat ic die poente moet wel geraken
 Ende een goet ende daer af maken

 Volcomelijc na der waerheide
 Als mi broeder Ghijsbrecht seide,
15 Een begheven Willemijn.
 Hi vant in die boeke sijn.

 Hi was een out ghedaghet man.
 Die nonne daer ic af began,
 Was hovesche ende subtijl van zeden.
20 Men vint ghene noch heden

 Die haer ghelijct, ic wane,
 Van zeden ende van ghedane.
 Dat ic prisede hare lede,
 Sonderlinghe haer scoenhede,

25 Dats een dinc dat niet en dochte.
 Ic wille u segghen van wat ambochte
 Si plach te wesen langhen tijt
 Int cloester daer si droech abijt:

 Costersse was si daer,
30 Dat seggic u al over waer.
 Sine was lat no traghe
 No bi nachte, no bi daghe.

 Si was snel te haren werke:
 Si plach te ludene in die kerke,
35 Si ghereide tlicht ende ornament
 Ende dede op staen alt covent.
 
 Dese joffrouwe en was niet sonder
 Der minnen, die groet wonder
 Pleecht te werken achter lande.
40 Bi wilen comter af scande,

 Quale, toren, wedermoet;
 Bi wilen bliscap ende goet.
 Den wisen maect si oec soe ries
 Dat hi moet bliven int verlies,

45 Eest hem lieft ofte leet.
 Si dwingt sulken, dat hine weet
 Weder spreken ofte swighen
 Daer hi loen af waent ghecrighen.

 Meneghe worpt si onder voet,
50 Die op staet alst haer dunct goet.
 Minne maect sulken milde
 Die liever sine ghiften hilde,

 Dade hijt niet bider minnen rade.
 Noch vintmen liede soe ghestade:
55 Wat si hebben groet oft clene,
 Dat hen die minne gheeft ghemene:

 Welde, bliscap ende rouwe.
 Selke minne hetic ghetrouwe.
 In constu niet gheseggen als
60 Hoe vele gheluux ende onghevals

 Uter minnen beken ronnen.
 Hier omme en darfmen niet veronnen
 Der nonnen, dat si niet en conste ontgaen
 Der minnen diese hilt ghevaen,

65 Want die duvel altoes begheert
 Den mensche te becorne ende niet en cesseert.
 Dach ende nacht, spade ende vroe,
 Hi doeter sine macht toe.

 Met quaden listen, als hi wel conde,
70 Becordise met vleescheliker sonde,
 Die nonne, dat si sterven waende.
 Gode bat si ende vermaende

 Dat hise troeste dore sine ghenaden.
 Si sprac: ‘Ic ben soe verladen
75 Met starker minnen ende ghewont
 Dat weet hi, dient al es cont,

 Die niet en es verholen -
 Dat mi die crancheit sal doen dolen.
 Ic moet leiden een ander leven:
80 Dit abijt moetic begheven.’

 Nu hoert hoeter na verghinc.
 Si sende om den jonghelinc
 Daer si toe hadde grote lieve,
 Oetmoedelijc met enen brieve,

85 Dat hi saen te hare quame:
 Daer laghe ane sine vrame.
 Die bode ghinc daer de jonghelinc was.
 Hi nam den brief ende las

 Die hem sende sijn vriendinne.
90 Doe was hi blide in sinen sinne:
 Hi haestem te comen daer.
 Sint dat si out waren XII jaer

 Dwanc die minne dese twee,
 Dat si dogheden menech wee.
95 Hi reet soe hi ierst mochte
 Ten cloester, daer hise sochte.

 Hi ghinc sitten voer tfensterkijn
 Ende soude gheerne, mocht sijn,
 Sijn lief spreken ende sien.
100 Niet langhe en merde si na dien.

 Si quam ende woudene vanden
 Vor tfensterkijn, dat met yseren banden
 Dwers ende lanx was bevlochten.
 Menech werven si versochten,

105 Daer hi sat buten ende si binnen,
 Bevaen met alsoe starker minnen.
 Si saten soe een langhe stonde,
 Dat ict ghesegghen niet en conde

 Hoe dicke verwandelde hare blye.
110 ‘Ay mi’, seitsi, ‘aymie,
 Vercoren lief, mi es soe wee.
 Sprect jeghen mi een wort oft twee

 Dat mi therte conforteert.
 Ic ben die troest ane u begheert.
115 Der minnen strael stect mi int herte
 Dat ic doghe grote smerte.

 In mach nemmermeer verhoghen,
 Lief, ghi en hebbet uut ghetoghen.’
 Hi antworde met sinne:
120 ‘Ghi wet wel, lieve vriendinne,

 Dat wi langhe hebben ghedragen
 Minne al onsen daghen.
 Wi en hadden nye soe vele rusten,
 Dat wi ons eens ondercusten.

125 Vrouwe Venus, die godinne,
 Die dit brachte in onsen sinne,
 Moete God, onse Here, verdoemen,
 Dat si twee soe scone bloemen

 Doet vervaluen ende bederven.
130 Constic wel ane u verwerven
 Ende ghi dabijt wout neder leggen
 Ende mi enen sekeren tijt seggen

 Hoe ic u ute mochte leiden,
 Ic woude riden ende ghereiden
135 Goede cleder diere van wullen
 Ende die met bonten doen vullen:

 Mantel, roc ende sercoet.
 In begheve u te ghere noet.
 Met u willic mi aventueren
140 Lief, leet, tsuete metten sueren.

 Nemt te pande mijn trouwe.’
 ‘Vercorne vrient’, sprac die joncfrouwe,
 ‘Die willic gherne van u ontfaen,
 Ende met u soe verre gaen,

145 Dat niemen en sal weten in dit covent
 Werwaert dat wi sijn bewent.
 Van tavont over VIII nachte
 Comt ende nemt mijns wachte

 Daer buten inden vergier.
150 Onder enen eglentier
 Wacht daer mijns. Ic come uut
 Ende wille wesen uwe bruut,

 Te varen daer ghi begheert.
 En si dat mi siecheit deert
155 Ocht saken die mi sijn te swaer,
 Ic come sekerlike daer,

 Ende ic begheert van u sere,
 Dat ghi daer comt, lieve jonchere.’
 Dit gheloefde elc anderen.
160 Hi nam orlof ende ghinc wanderen

 Daer sijn rosside ghesadelt stoet.
 Hi satter op metter spoet
 Ende reet wech sinen telt
 Ter stat waert over een velt.

165 Sijns lieves hi niet en vergat:
 Sanders daghes ghinc hi in die stat.
 Hi cochte blau ende scaerlaken,
 Daer hi af dede maken

 Mantele ende caproen groet
170 Ende roc ende sorcoet
 Ende na recht ghevoedert wel.
 Niemen en sach beter vel

 Onder vrouwen cledere draghen:
 Si prijsdent alle diet saghen.
175 Messe, gordele ende almoniere
 Cochti haer goet ende diere;

 Huven, vingherline van goude
 Ende chierheit menechfoude.
 Om al die chierheit dede hi proeven
180 Die eneger bruut soude behoeven.

 Met hem nam hi Vc pont
 Ende voer in ere avonstont
 Heymelike buten der stede.
 Al dat scoenheide voerdi mede

185 Wel ghetorst op sijn paert,
 Ende voer alsoe ten cloestere waert
 Daer si seide: inden vergier
 Onder enen eglentier

 Hi ghinc sitten neder int cruut,
190 Tote sijn lief soude comen uut.
 Van hem latic nu die tale
 Ende segghe u vander scoender smale.

 Vore middernacht lude si mettine.
 Die minne dede haer grote pine.
195 Als mettenen waren ghesongen
 Beide van ouden ende van jongen

 Die daer waren int covent,
 Ende si weder waren ghewent
 Opten dormter al ghemene,
200 Bleef si inden coer allene

 Ende si sprac haer ghebede
 Alsi te voren dicke dede.
 Si knielde voerden outaer
 Ende sprac met groten vaer:

205 ‘Maria, moeder, soete name,
 Nu en mach minen lichame
 Niet langher in dabijt gheduren.
 Ghi kint wel in allen uren

 Smenschen herte ende sijn wesen.
210 Ic hebbe ghevast ende ghelesen
 Ende ghenomen discipline.
 Hets al om niet dat ic pine:

 Minne worpt mi onder voet,
 Dat ic der werelt dienen moet.
215 Alsoe waerlike als ghi, Here lieve,
 Wort ghehanghen tusschen II dieve

 Ende aent cruce wort gherecket,
 Ende ghi Lazaruse verwecket
 Daer hi lach inden grave doet,
220 Soe moetti kinnen minen noet

 Ende mine mesdaet mi vergheven.
 Ic moet in swaren sonden sneven.’
 Na desen ghinc si uten core
 Teenen beelde, daer si vore

225 Knielde ende sprac hare ghebede,
 Daer Maria stont ter stede.
 Si riep Maria onversaghet:
 ‘Ic hebbe u nach ende dach geclaghet

 Ontfermelike mijn vernoy
230 Ende mi en es niet te bat een hoy.
 Ic werde mijns sins te male quijt,
 Blivic langher in dit abijt.’

 Die covel toech si ute al daer
 Ende leidse op onser Vrouwen outaer.
235 Doen dede si ute hare scoen.
 Nu hoert watsi sal doen.

 Die slotele vander sacristien
 Hinc si voer dat beelde Marien,
 Ende ic segt u over waer
240 Waer omme dat sise hinc al daer:

 Ofmense te priemtide sochte,
 Dat mense best daer vinden mochte.
 Hets wel recht in alder tijt,
 Wie vore Marien beelde lijt,

245 Dat hi sijn oghen der waert sla
 Ende segge ‘Ave’, eer hi ga,
 ‘Ave Maria’. Daer omme si ghedinct,
 Waer omme dat si die slotel daer hinc.
 
 Nu ghinc si danen dorden noet
250 Met enen pels al bloet
 Daer si een dore wiste,
 Die si ontsloet met liste,

 Ende ghincker heymelijc uut,
 Stillekine sonder gheluut.
255 Inden vergier quam si met vare.
 Die jongelinc wert haers gheware.

 Hi seide: ‘Lief, en verveert u niet:
 Hets u vrient dat ghi hier siet.’
 Doen si beide te samen quamen,
260 Si begonste hare te scamen

 Om dat si in enen pels stoet
 Bloets hoeft ende barvoet.
 Doen seidi: ‘Wel scone lichame,
 U soe waren bat bequame

265 Scone ghewaden ende goede cleder.
 Hebter mi om niet te leder,
 Ic salse u gheven sciere.’
 Doen ghinghen si onder den eglentiere

 Ende alles dies si behoeft,
270 Des gaf hi hare ghenoech.
 Hi gaf haer cleder twee paer.
 Blau waest dat si aen dede daer

 Wel ghescepen int ghevoech.
 Vriendelike hi op haer loech.
275 Hi seide: ‘Lief, dit hemelblau
 Staet u bat dan dede dat grau.’

 Twee cousen toech si ane
 Ende twee scoen cordewane,
 Die hare vele bat stonden
280 Dan scoen die waren ghebonden.

 Hoet cleder van witter ziden
 Gaf hi hare te dien tiden,
 Die si op haer hoeft hinc.
 Doen cussese die jonghelinc

285 Vriendelike aen haren mont.
 Hem dochte, daer si voer hem stont,
 Dat die dach verclaerde.
 Haestelike ghinc hi tsinen paerde.

 Hi settese voer hem int ghereide.
290 Dus voren si henen beide
 Soe verre dat began te daghen,
 Dat si hem nyemen volghen en saghen.

 Doen begant te lichtene int oest.
 Si seide: ‘God, alder werelt troest,
295 Nu moeti ons bewaren.
 Ic sie den dach verclaren.

 Waric met u niet comen uut,
 Ic soude prime hebben gheluut,
 Als ic wilen was ghewone
300 Inden cloester van religione.

 Ic ducht mi die vaert sal rouwen:
 Die werelt hout soe cleine trouwe,
 Al hebbic mi ghekeert daer an.
 Si slacht den losen coman

305 Die vingherline van formine
 Vercoept voer guldine.’
 ‘Ay, wat segdi, suverlike?
 Ocht ic u emmermeer beswike,

 Soe moete mi God scinden!
310 Waer dat wi ons bewinden,
 In scede van u te ghere noet,
 Ons en scede die bitter doet!

 Hoe mach u aen mi twien?
 Ghi en hebt aen mi niet versien
315 Dat ic u fel was ofte loes.
 Sint dat ic u ierst vercoes,

 En haddic niet in minen sinne
 Ghedaen een keyserinne,
 Op dat ic haers werdech ware,
320 Lief, en liete u niet om hare.

 Des moghedi seker wesen.
 Ic vore met ons ute ghelesen
 Vc pont wit selverijn.
 Daer seldi, lief, vrouwe af sijn.

325 Al varen wi in vremde lande,
 Wine derven verteren ghene pande
 Binnen desen seven jaren.’
 Dus quamen si den telt ghevaren

 Smorgens aen een foreest,
330 Daer die voghele hadden feest.
 Si maecten soe groet ghescal,
 Datment hoerde over al.

 Elc sanc na der naturen sine.
 Daer stonden scone bloemkine
335 Op dat groene velt ontploken,
 Die scone waren ende suete roken.

 Die locht was claer ende scone.
 Daer stonden vele rechte bome,
 Die ghelovert waren rike.
340 Die jonghelinc sach op die suverlike,

 Daer hi ghestade minne toe droech.
 Hi seide: ‘Lief, waert u ghevoech,
 Wi souden beeten ende bloemen lesen.
 Het dunct mi hier scone wesen.

345 Laet ons spelen der minnen spel.’
 ‘Wat segdi’, sprac si, ‘dorper fel,
 Soudic beeten op tfelt,
 Ghelijc enen wive die wint ghelt

 Dorperlijc met haren lichame?
350 Seker soe haddic cleine scame.
 Dit en ware u niet ghesciet,
 Waerdi van dorpers aerde niet!

 Ic mach mi bedinken onsochte.
 Godsat hebdi diet sochte!
355 Swighet meer deser talen
 Ende hoert die voghele inden dalen,

 Hoe si singhen ende hem vervroyen,
 Die tijt sal u te min vernoyen.
 Alsic bi u ben al naect
360 Op een bedde wel ghemaect

 Soe doet al dat u ghenoecht
 Ende dat uwer herten voeght.
 Ic hebs in mijn herte toren,
 Dat ghijt mi heden leit te voren.’
 
365 Hi seide: ‘Lief, en belghet u niet.
 Het dede Venus, diet mi riet.
 God gheve mi scande ende plaghe
 Ochtic u emmermeer ghewaghe.’

 Si seide: ‘Ic vergheeft u dan.
370 Ghi sijt mijn troest voer alle man
 Die leven onder den trone.
 Al levede Absolon die scone

 Ende ic des wel seker ware
 Met hem te levene M jare
375 In weelden ende in rusten,
 In liets mi niet ghecusten.

 Lief, ic hebbe u soe vercoren.
 Men mocht mi dat niet legghen voren,
 Dat ic uwes soude vergheten.
380 Waric in hemelrike gheseten

 Ende ghi hier in ertrike,
 Ic quame tot u sekerlike.
 Ay God, latet onghewroken
 Dat ic dullijc hebbe ghesproken.

385 Die minste bliscap in hemelrike
 En es hier ghere vrouden ghelike:
 Daer es die minste soe volmaect,
 Datter zielen niet en smaect

 Dan Gode te minnen sonder inde.
390 Al erdsche dinc es ellinde:
 Si en doeghet niet een haer
 Jeghen die minste die es daer.

 Diere om pinen die sijn vroet,
 Al eest dat ic dolen moet
395 Ende mi te groten sonden keren
 Dore u, lieve scone jonchere.’
 
 Dus hadden si tale ende weder tale.
 Si reden berch ende dale.
 In can u niet ghesegghen wel
400 Wat tusschen hem tween ghevel.

 Si voren alsoe voert
 Tes si quamen in een poert,
 Die scone stont in enen dale.
 Daer soe bequaemt hem wale,

405 Dat siere bleven der jaren seven
 Ende waren in verweenden leven
 Met ghenuechten van lichamen,
 Ende wonnen II kinder tsamen.

 Daer na den seven jaren,
410 Alse die penninghe verteert waren,
 Moesten si teren vanden pande
 Die si brachten uten lande.

 Cleder, scoenheit ende paerde
 Vercochten si te halver warde
415 Ende brochtent al over saen.
 Doen en wisten si wat bestaen:

 Si en conste ghenen roc spinnen
 Daer si met mochte winnen.
 Die tijt wert inden lande diere
420 Van spisen, van wine ende van biere

 Ende van al datmen eten mochte.
 Dies hem wert te moede onsochte.
 Si waren hem liever vele doet,
 Dan si hadden ghebeden broet.

425 Die aermoede maecte een ghesceet
 Tusschen hem beiden, al waest hem leet.
 Aenden man ghebrac dierste trouwe.
 Hi lietse daer in groten rouwe

 Ende voer te sinen lande weder.
430 Si en sachen met oghen nye zeder.
 Daer bleven met hare ghinder
 Twee uter maten scone kinder.
 
 Si sprac: ‘Hets mi comen soe,
 Dat ic duchte spade ende vroe.
435 Ic ben in vele doghens bleven.
 Die ghene heeft mi begheven,

 Daer ic mi trouwen toe verliet.
 Maria, Vrouwe, oft ghi ghebiet,
 Bidt vore mi ende mine II jonghere,
440 Dat wi niet en sterven van honghere.

 Wat salic doen, elendech wijf.
 Ic moet beide ziele ende lijf
 Bevlecken met sondeghen daden.
 Maria, Vrouwe, staet mi in staden.

445 Al constic enen roc spinnen,
 In mochter niet met winnen
 In tween weken een broet.
 Ic moet gaen dorden noet

 Buten der stat op tfelt
450 Ende winnen met minen lichame ghelt,
 Daer ic met mach copen spise.
 In mach in ghere wise

 Mijn kinder niet begheven.’
 Dus ghinc si in een sondech leven,
455 Want men seit ons over waer,
 Dat si langhe seven jaer

 Ghemene wijf ter werelt ghinc
 Ende meneghe sonde ontfinc,
 Dat haer was wel onbequame -
460 Die si dede metten lichame,

 Daer si cleine ghenuechte hadde in.
 Al dede sijt om een cranc ghewin,
 Daer si haer kinder met onthelt.
 Wat holpt al vertelt,

465 Die scamelike sonden ende die zwaer
 Daer si in was XIIII jaer?
 Maer emmer en lietsi achter niet,
 Hadsi rouwe oft verdriet,

 Sine las alle daghe met trouwen
470 Die seven ghetiden van onser Vrouwen.
 Die las si haer te loven ende teren,
 Dat sise moeste bekeren

 Uten sondeliken daden,
 Daer si was met beladen
475 Bi ghetale XIIII jaer,
 Dat segghic u over waer.

 Si was seven jaer metten man,
 Die II kindere an hare wan,
 Diese liet in ellinde,
480 Daer si doghede groet meswinde.

 Die leste VII jaer hebdi gehoert.
 Verstaet hoe si levede voert.
 Als die XIIII jaer waren ghedaen,
 Sinde haer God int herte saen

485 Berouwennesse alsoe groet,
 Dat si met enen swerde al bloet
 Liever liete haer hoet af slaen,
 Dan si meer sonden hadde ghedaen

 Met haren lichame, alsi plach.
490 Si weende nacht ende dach
 Dat haer oghen selden drogheden.
 Si seide: ‘Maria, die Gode soghede,

 Fonteyne boven alle wiven,
 Laet mi inder noet niet bliven.
495 Vrouwe, ic neme u torconden,
 Dat mi rouwen mine sonden

 Ende sijn mi herde leet.
 Der es soe vele, dat ic en weet
 Waer icse dede ocht met wien.
500 Ay lacen, wat sal mijns ghescien?

 Ic mach wel jeghen dordeel sorgen,
 Doghen Gods sijn mi verborgen -
 Daer alle sonden selen bliken,
 Beide van armen ende van riken,

505 Ende alle mesdaet sal sijn ghewroken,
 Daer en si vore biechte af ghesproken
 Ende penitencie ghedaen.
 Dat wetic wel sonder waen.

 Des benic in groten vare.
510 Al droghic alle daghe een hare
 Ende croeper met van lande te lande
 Over voete ende over hande,

 Wullen, barvoet sonder scoen -
 Nochtan en constic niet ghedoen,
515 Dat ic van sonden worde vri,
 Maria, Vrouwe, ghi en troest mi.
 
 Fonteyne boven alle doghet,
 Ghi hebt den meneghen verhoghet,
 Alse wel Teophuluse sceen.
520 Hi was der quaetster sonderen een

 Ende haddem den duvel op ghegeven
 Beide ziele ende leven
 Ende was worden sijn man.
 Vrouwe, ghi verloesseten nochtan.

525 Al benic een besondech wijf
 Ende een onghetroest keytijf,
 In wat leven ic noy was,
 Vrouwe, ghedinct dat ic las

 Tuwer eren een ghebede.
530 Toent aen mi u oetmoedechede.
 Ic ben ene die es bedroevet
 Ende uwer hulpen wel behoevet.

 Dies maghic mi verbouden:
 En bleef hem nye onvergouden
535 Die u gruete, maget vrie,
 Alle daghe met ere Ave Marie.

 Die u ghebet gherne lesen,
 Si moeghen wel seker wesen
 Dat hem daer af sal comen vrame.
540 Vrouwe, hets u soe wel bequame,

 Uut vercorne Gods bruut:
 U sone sinde u een saluut
 Te Nazaret, daer hi u sochte,
 Die u ene boetscap brochte

545 Die nye van bode was ghehoert.
 Daer omme sijn u die selve woert
 Soe bequame sonder wanc,
 Dat ghijs wet elken danc

 Die u gheerne daer mede quet.
550 Al waer hi in sonden belet,
 Ghi souten te ghenaden bringhen
 Ende voer uwen sone verdinghen.’

 Dese bedinghe ende dese claghe
 Dreef die sondersse alle daghe.
555 Si nam een kint in elke hant
 Ende ghincker met doer tlant

 In armoede van stede te steden,
 Ende levede bider beden.
 Soe langhe dolede si achter dlant,
560 Dat si den cloester weder vant

 Daer si hadde gheweest nonne,
 Ende quam daer savons na der sonne
 In ere weduwen huus spade,
 Daer si bat herberghe doer ghenade,

565 Dat si daer snachts mochte bliven.
 ‘Ic mocht u qualijc verdriven,’
 Sprac die weduwe, ‘met uwen kinderkinen.
 Mi dunct dat si moede scinen.

 Ruust u ende sit neder.
570 Ic sal u deilen weder
 Dat mi verleent onse Here,
 Doer siere liever moeder ere.’

 Dus bleef si met haren kinden
 Ende soude gheerne ondervinden
575 Hoet inden cloester stoede.
 ‘Segt mi,’ seitsi, ‘vrouwe goede,

 Es dit covint van joffrouwen?’
 ‘Jaet,’ seitsi, ‘bi miere trouwen,
 Dat verweent es ende rike;
580 Men weet niewer sijns ghelike.

 Die nonnen diere abijt in draghen,
 In hoerde nye ghewaghen
 Van hem gheen gherochten
 Dies si blame hebben mochten.’
 
585 Die daer bi haren kinderen sat,
 Si seide: ‘Waer bi segdi dat?
 Ic hoerde binnen deser weken
 Soe vele van ere nonnen spreken.

 Alsic verstoet in minen sinne,
590 Soe was si hier costerinne.
 Diet mi seide, hine loech niet.
 Hets binnen XIIII jaren ghesciet,

 Dat si uten cloester streec.
 Men wiste noyt waer si weec
595 Oft in wat lande si inde nam.’
 Doen wert die weduwe gram

 Ende seide: ‘Ghi dunct mi reven!
 Derre talen seldi begheven
 Te segghene vander costerinnen,
600 Oft ghi en blijft hier niet binnen!

 Si heeft hier costersse ghesijn
 XIIII jaer den termijn,
 Dat men haers noyt ghemessen conde
 In alden tiden ene metten stonde,

605 Hen si dat si waer onghesont.
 Hi ware erger dan een hont
 Diere af seide el dan goet.
 Si draghet soe reynen moet

 Die eneghe nonne draghen mochte.
610 Die alle die cloesters dore sochte
 Die staen tusschen Elve ende der Geronde,
 Ic wane men niet vinden en conde

 Ne ghene die gheesteliker leeft.’
 Die alsoe langhe hadde ghesneeft,
615 Dese tale dochte haer wesen wonder
 Ende seide: ‘Vrouwe, maect mi conder:

 Hoe hiet haer moeder ende vader?’
 Doe noemesise beide gader.
 Doen wiste si wel dat si haer meende.
620 Ay God, hoe si snachs weende

 Heymelike voer haer bedde!
 Si seide: ‘Ic en hebbe ander wedde
 Dan van herten groet berouwe.
 Sijt in mijn hulpe, Maria, Vrouwe.

625 Mijn sonden sijn mi soe leet.
 Saghic enen hoven heet,
 Die in groten gloyen stonde,
 Dat die vlamme ghinghe uten monde,

 Ic croper in met vlite,
630 Mochtic mier sonden werden quite.
 Here, ghi hebt wan hope verwaten:
 Daer op willic mi verlaten.

 Ic ben die altoes ghenade hoept,
 Al eest dat mi anxt noept
635 Ende mi bringt in groten vare.
 En was nye soe groten sondare

 Sint dat ghi op ertrike quaemt
 Ende menschelike vorme naemt
 Ende ghi aen den cruce wout sterven,
640 Sone lieti den sondare niet bederven

 Die met berouwenesse socht gnade:
 Hi vantse, al quam hi spade,
 Alst wel openbaer scheen
 Den enen sondare vanden tween,

645 Die tuwer rechter siden hinc.
 Dats ons een troestelijc dinc,
 Dat ghine ontfinc onbescouden.
 Goet berou mach als ghewouden.

 Dat maghic merken an desen:
650 Ghi seit: “Vrient, du salt wesen
 Met mi heden in mijn rike.
 Dat segghic u ghewaerlike.”

 Noch, Here, waest openbare
 Dat Gisemast, die mordenare,
655 Ten lesten om ghenade bat.
 Hine gaf u weder gout no scat

 Dan hem berouden sine sonden.
 U ontfermecheit en es niet te gronden,
 Niet meer dan men mach
660 Die zee uut sceppen op enen dach

 Ende droghen al toten gronde.
 Dus was nye soe grote sonde,
 Vrouwe, u ghenaden en gaen boven.
 Hoe soudic dan sijn verscoven

665 Van uwer ontfermecheit,
 Ocht mi mijn sonden sijn soe leit?’
 Daer si lach in dit ghebede,
 Quam een vaec in al haer lede

 Ende si wert in slape sochte.
670 In enen vysioen haer dochte,
 Hoe een stemme aen haer riep
 Daer si lach ende sliep:

 ‘Mensche, du heves soe langhe gecarmt,
 Dat Maria dijns ontfarmt,
675 Want si heeft u verbeden.
 Gaet inden cloester met haestecheden.

 Ghi vint die doren open wide
 Daer ghi uut ginges ten selven tide
 Met uwen lieve, den jonghelinc,
680 Die u inder noet af ghinc.

 Al dijn abijt vinstu weder
 Ligghen opten outaer neder.
 Wile, covele ende scoen
 Moeghedi coenlijc ane doen.

685 Des danct hoeghelike Marien.
 Die slotele vander sacristien,
 Die ghi voer tbeelde hinct
 Snachs, doen ghi uut ghinct,

 Die heeft si soe doen bewaren,
690 Datmen binnen XIIII jaren
 Uwes nye en ghemiste,
 Soe dat yemen daer af wiste.

 Maria es soe wel u vrient,
 Si heeft altoes voer u ghedient
695 Min no meer na dijn ghelike.
 Dat heeft de Vrouwe van hemelrike,

 Sonderse, doer u ghedaen.
 Si heet u inden cloester gaen.
 Ghi en vint nyeman op u bedde.
700 Hets van Gode dat ic u quedde.’
 
 Na desen en waest niet lanc,
 Dat si uut haren slape ontspranc.
 Si seide: ‘God, gheweldechere,
 En ghehinct den duvel nemmermere,

705 Dat hi mi bringhe in mere verdriet
 Dan mi nu es ghesciet.
 Ochtic nu inden cloester ghinghe
 Ende men mi over dieveghe vinghe,

 Soe waric noch meer ghescent,
710 Dan doen ic ierst rumde covent.
 Ic mane u, God die goede,
 Dor uwen pretiosen bloede

 Dat uut uwer ziden liep:
 Ocht die stemme die aen mi riep
715 Hier es comen te minen baten,
 Dat sijs niet en moete laten,

 Si en come anderwerf tot hare
 Ende derde werven openbare,
 Soe dat ic mach sonder waen
720 Weder in minen cloester gaen.

 Ic wilre om benedien
 Ende loven altoes Marien!’
 Sanders snachs, moghedi horen,
 Quam haer een stemme te voren,

725 Die op haer riep ende seide:
 ‘Mensche, du maecs te langhe beide.
 Ganc weder in dinen cloester.
 God sal wesen dijn troester.

 Doet dat Maria u ontbiet.
730 Ic ben haer bode, en twivels niet.’
 Nu heefsise anderwerf vernomen,
 Die stemme, tote haer comen,

 Ende hietse inden cloester gaen.
 Nochtan en dorst sijs niet bestaen.
735 Der derder nacht verbeyt si noch
 Ende seide: ‘Eest elfs ghedroch

 Dat mi comt te voren,
 Soe maghic cortelike scoren
 Des duvels ghewelt ende sine cracht,
740 Ende ocht hire comt te nacht,

 Here, soe maecten soe confuus,
 Dat hi vare uten huus,
 Dat hi mi niet en moete scaden.
 Maria, nu staet mi in staden,

745 Die ene stemme ane mi sint,
 Ende hiet mi gaen int covint.
 Ic mane u, Vrouwe, bi uwen kinde,
 Dat ghise mi derdewerven wilt sinden.’
 
 Doen waecte si den derden nacht.
750 Een stemme quam van Gods cracht
 Met enen over groten lichte
 Ende seide: ‘Hets bi onrechte,

 Dat ghi niet en doet dat ic u hiet,
 Want u Maria bi mi ontbiet.
755 Ghi moecht beiden te lanc.
 Gaet inden cloester sonder wanc.

 Ghi vint die doren op ende wide ontdaen:
 Daer ghi wilt, moghedi gaen.
 U abijt vindi weder
760 Ligghende opten outaer neder.’

 Als die stemme dit hadde gheseit,
 En mochte die zondersse, die daer leit,
 Die claerheit metten oghen wel sien.
 Si seide: ‘Nu en darf mi niet twien:

765 Dese stemme comt van Gode
 Ende es der maghet Marien bode.
 Dat wetic nu sonder hone:
 Si comt met lichte soe scone.

 Nu en willics niet laten,
770 Ic wille mi inden cloester maken.
 Ic saelt oec doen in goeder trouwen
 Opten troest van onser Vrouwen,

 Ende wille mijn kinder beide gader
 Bevelen Gode, onsen vader.
775 Hi salse wel bewaren.’
 Doen toech si ute al sonder sparen

 Haer cleder, daer sise met decte
 Heymelike, dat sise niet en wecte.
 Si cussese beide aen haren mont.
780 Si seide: ‘Kinder, blijft ghesont.

 Op den troest van onser Vrouwen
 Latic u hier in goeder trouwen;
 Ende hadde mi Maria niet verbeden,
 Ic en hadde u niet begheven

785 Om al tgoet dat Rome heeft binnen.’
 Hoert wes si sal beghinnen.
 Nu gaet si met groten weene
 Ten cloester waert, moeder eene.

 Doen si quam inden vergiere,
790 Vant si die dore ontsloten sciere.
 Si ghincker in sonder wanc.
 ‘Maria, hebbes danc:

 Ic ben comen binnen mure.
 God gheve mi goede aventure.’
795 Waer si quam, vant si die dore
 Al wide open jeghen hore.

 In die kerke si doe trac.
 Heymelike si doe sprac:
 ‘God, Here, ic bidde u met vlite:
800 Hulpt mi weder in minen abite,

 Dat ic over XIIII jaer
 Liet ligghen op onser Vrouwen outaer
 Snachs, doen ic danen sciet.’
 Dit en es gheloghen niet,

805 Ic segt u sonder ghile:
 Scone, covele ende wile
 Vant si ter selver stede weder
 Daer sijt hadde gheleit neder.

 Si traect an haestelike
810 Ende seide: ‘God van hemelrike
 Ende Maria, maghet fijn,
 Ghebenedijt moetti sijn!

 Ghi sijt alre doghet bloeme.
 In uwen reine magedoeme
815 Droeghedi een kint sonder wee,
 Dat Here sal bliven emmermee.

 Ghi sijt een uut vercoren werde:
 U kint maecte hemel ende erde.
 Dese ghewelt comt u van Gode
820 Ende staet altoes tuwen ghebode.

 Den Here, die es ons broeder,
 Moghedi ghebieden als moeder
 Ende hi u heten lieve dochter.
 Hier omme levic vele te sochter:

825 Wie aen u soect ghenade,
 Hi vintse, al comt hi spade.
 U hulpe die es alte groet.
 Al hebbic vernoy ende noet,

 Hets bi u ghewandelt soe,
830 Dat ic nu mach wesen vroe.
 Met rechte maghic u benedien.’
 Die slotele vander sacristien

 Sach si hanghen in ware dinc
 Vor Marien, daer sise hinc.
835 Die slotele hinc si aen hare
 Ende ghinc ten core, daer si clare

 Lampten sach berren in allen hoeken.
 Daer na ghinc si ten boeken
 Ende leide elc op sine stede,
840 Alsi dicke te voren dede;

 Ende si bat der maghet Marien,
 Dat sise van evele moeste vrien
 Ende haer kinder, die si liet
 Ter weduwen huus in zwaer verdriet.

845 Binnen dien was die nacht ghegaen,
 Dat dorloy begonste te slaen,
 Daer men middernacht bi kinde.
 Si nam cloc zeel biden inde

 Ende luude metten so wel te tiden,
850 Dat sijt hoerden in allen ziden.
 Die boven opten dormter laghen,
 Die quam alle sonder traghen

 Vanden dormter ghemene.
 Sine wisten hier af groet no clene.
855 Si bleef inden cloester haren tijt
 Sonder lachter ende verwijt:

 Maria hadde ghedient voer hare,
 Ghelijc oft sijt selve ware.
 Dus was die sonderse bekeert
860 Maria te love, die men eert,

 Der maghet van hemelrike,
 Die altoes ghetrouwelike
 Haren vrient staet in staden,
 Alsi in node sijn verladen.
 
865 Dese joffrouwe, daer ic af las,
 Es nonne alsi te voren was.
 Nu en willic vergheten niet
 Haer twee kindere, die si liet

 Ter weduwen huus, in groter noet.
870 Si en hadden ghelt noch broet.
 In can u niet vergronden,
 Doen si haer moeder niet en vonden,

 Wat groter rouwe datsi dreven.
 Die weduwe ghincker sitten neven:
875 Si hadder op ontfermenisse.
 Si seide: ‘Ic wille toter abdisse

 Gaen met desen II kinden.
 God sal hare int herte sinden
 Dat si hen goet sal doen.’
880 Si deden ane cleder ende scoen.

 Si ghincker met in covent.
 Si seide: ‘Vrouwe, nu bekent
 Den noet van desen tween wesen.
 Die moeder heefse met vresen

885 Te nacht in mijn huus gelaten
 Ende es ghegaen hare straten,
 Ic en weet west noch oest.
 Dus sijn die kinder onghetroest.

 Ic hulpe hen gheerne, wistic hoe.’
890 Die abdisse spracker toe:
 ‘Houtse wel, ic saelt u lonen,
 Dat ghijs u niet en selt becronen,

 Na dat si u sijn ghelaten.
 Men gheve hen der caritaten
895 Elcs daghes om Gode.
 Sint hier daghelijcs enen bode

 Die hen drincken hale ende eten.
 Gheberst hen yet, laet mi weten.’
 Die weduwe was vroe
900 Dat haer comen was alsoe.

 Si nam die kinder met hare
 Ende hadder toe goede ware.
 Die moeder, diese hadde ghesoghet
 Ende pine daer om ghedoeghet,

905 Haer was wel te moede,
 Doen sise wiste in goeder hoede,
 Haer kinder die si begaf
 In groter noet ende ghinc af.

 Sine hadde vaer no hinder
910 Voert meer om hare kinder.
 Si leide vort een heylech leven.
 Menech suchten ende beven

 Hadsi nacht ende dach,
 Want haer die rouwe int herte lach
915 Van haren quaden sonden,
 Die si niet en dorste vermonden

 Ghenen mensche, no ontdecken,
 Noe in dichten oec vertrecken.
 Hier na quam op enen dach
920 Een abt, diese te visenteerne plach

 Eenwerven binnen den jare,
 Om te vernemen oft daer ware
 Enech lachterlike gheruchte,
 Daer si blame af hebben mochte.

925 Sdaghes als hire comen was,
 Lach die sonderse ende las
 Inden coer haer ghebet
 In groter twivelingen met.

 Die duvel becorese metter scame,
930 Dat si haer sondelike blame
 Vore den abt niet en soude bringhen.
 Alsi lach inder bedinghen,

 Sach si, hoe dat neven haer leet
 Een jonghelinc met witten ghecleet.
935 Hi droech in sinen arm al bloet
 Een kint, dat dochte haer doet.

 Die jonghelinc warp op ende neder
 Enen appel ende vinken weder
 Vor tkint, ende maecte spel.
940 Dit versach die nonne wel,

 Daer si in haer ghebede lach.
 Si seide: ‘Vrient, oft wesen mach
 Ende of ghi comen sijt van Gode,
 Soe manic u bi sine ghebode,

945 Dat ghi mi segt ende niet en heelt,
 Waer om ghi voer dat kint speelt
 Metten sconen appel roet,
 Ende het leet in uwen arm doet?

 U spel en helpt hem niet een haer.’
950 ‘Seker, nonne, ghi segt waer:
 En weet niet van minen spele
 Weder luttel no vele.

 Hets doet: en hoert no en siet.
 Al des ghelike en weet God niet,
955 Dat ghi leest ende vast.
 Dat en helpt u niet een bast.

 Hets al verloren pine,
 Dat ghi neemt discipline.
 Ghi sijt in sonden soe versmoert,
960 Dat God u beden niet en hoert
 
 Boven in sijn rike.
 Ic rade u: haestelike
 Gaet ten abt, uwen vader,
 Ende verteelt hem algader

965 U sonden al sonder lieghen.
 Laet u den duvel niet bedrieghen.
 Die abt sal u absolveren
 Vanden sonden die u deren.

 Eest dat ghise niet en wilt spreken,
970 God salse zwaerlike an u wreken.’
 Die jonghelinc ghinc ute haer oghen.
 Hine wilde haer nemmer vertoghen.

 Dat hi seide, heeft si verstaen.
 Smorghens ghinc si alsoe saen
975 Ten abt ende bat dat hi hoerde
 Haer biechte van worde te worde.

 Die abt was vroet van sinne.
 Hi seide: ‘Dochter, lieve minne,
 Des en willic laten niet.
980 Bepeinst u wel ende besiet

 Volcomelijc van uwen sonden.’
 Ende si ghinc ten selven stonden
 Den heyleghen abt sitten neven
 Ende ondecten hem al haer leven

985 Ende haer vite van beghinne:
 Hoe si met ere dulre minne
 Becort was soe uter maten,
 Dat si moeste ligghen laten

 Haer abijt met groten vare
990 Eens snachts op onser Vrouwen outare,
 Ende rumede den cloester met enen man,
 Die twee kindere aen hare wan.

 Al dat haer ye was ghesciet,
 Dies ne liet si achter niet.
995 Wat si wiste in haer herte gront,
 Maecte si den abt al cont.

 Doen si ghebiecht hadde algader,
 Sprac dabt, die heyleghe vader:
 ‘Dochter, ic sal u absolveren
1000 Vanden sonden die u deren,

 Die ghi mi nu hebt ghelijt.
 Gheloeft ende ghebenedijt
 Moet die moeder Gods wesen.’
 Hi leide haer op thoeft met desen

1005 Die hant ende gaf haer perdoen.
 Hi seide: ‘Ic sal in een sermoen
 U biechte openbare seggen,
 Ende die soe wiselike beleggen,

 Dat ghi ende u kinder mede
1010 Nemmermeer te ghere stede
 Ghenen lachter en selt ghecrigen.
 Het ware onrecht, soudement swigen,

 Die scone miracle die ons Here
 Dede doer siere moeder ere.
1015 Ic saelt orconden over al.
 Ic hope, datter noch bi sal

 Menech sondare bekeren
 Ende onser liever Vrouwen eren.’
 Hi deet verstaen den covende,
1020 Eer hi thuus weder wende,

 Hoe ere nonnen was ghesciet.
 Maer sine wisten niet
 Wie si was: het bleef verholen.
 Die abt voer Gode volen.

1025 Der nonnen kinder nam hi beide
 Ende vorese in sijn gheleide.
 Grau abijt dedi hen an
 Ende si worden twee goede man.

 Haer moeder hiet Beatrijs.
1030 Loef Gode ende prijs
 Ende Maria, die Gode soghede,
 Ende dese scone miracle toghede.

 Si halp haer uut alre noet.
 Nu bidden wi alle, cleine ende groet,
1035 Die dese miracle horen lesen,
 Dat Maria moet wesen

 Ons vorsprake int soete dal
 Daer God die werelt doemen sal.
 
 Amen.

***

Home
Naar boven


Beatrijs

01   Et dichten het mi'j weinig brocht.
     Pattie hadden dan ok bedocht
     da'k een aander vak leren zol.
     Mar om heur te eren wie ik wol,

05   die as moeke maegd bleven was,
     he'k et wonder beschreven as
     waor oons lieve Heer mit angaf
     Maria te eren, die him tate gaf.

     Over een non wi'k dichten, ha'k docht:
10   as God mien geest teminste verlocht,
     want ik moet heufd- en bi'jzaeken scheiden
     en dit tot een goed aende zien te breiden.

     Mar ik moet wel de feiten melden
     die breur Gijsbrecht mi'j vertelde,
15   een monnik die as schriftgeleerde
     daegeliks de boeken bestudeerde

     waor ik dit wonder es in las.
     De non, van wie al spraoke was,
     edelvrouw, zo fienigies van zeden
20   daj', naor ik daenke, tot op 't heden

     gieniene meer vienen van dat gehalte,
     liekegoed van zeden as van gestalte.
     A'k de lof zong van heur leden
     en van al heur bekoorlikheden,

25   zol dat de heurder eins niet raeken.
     Luuster, mit wat wark ze had te maeken
     al lange jaoren, een hiele tied
     in et klooster onder een habiet,

     kosteres was ze, jaor nao jaor
30   dat was heur wark, eerlik waor
     Ze was gienertied es lui of onzorgvuldig,
     bi'j dag en naacht, gienertied ongeduldig,

     was vlogge en veerdig in heur wark,
     en ludede de klokke in de karke,
35   legde boeken klaor, steuk keerzen an,
     maekte morgens et klooster wakker dan.

     Mar mit dat al was ze niet zonder
     et gevuulte dat is as een wonder
     bi'j wie et treft, rondom waoj' gaon:
40   de liefde, lat je in de koolde staon,

     die ziekte, wraoke seins verbreidet
     mar dan ok weer tot bliedschop leidet.
     Een wieze maekt hi'j tot zoe'n zot
     dat hi'j de knecht wodt van zien lot,

45   al geft et bliedschop mar vaeks ok spiet.
     Goenend raeken de kluts goed kwiet:
     moe'n ze now praoten of zwiegen
     om dat wat ze vraogen te kriegen?
=pb=
     Liefde lopt mennigiene onder de voete,
50   die ze al dan niet weer opstaon lat
     en ze maekt tot gulle luden
     die d'r gien stuver veur geven zollen

     as zi'j et niet veur zol schrieven.
     D'r bin d'r ok, die staonde blieven,
55   die saemen patten in heur leven
     al wat de liefde het te geven

     an bliedschop en genot en rouw
     en zokke liefde nuum ik: trouw.
     D'r is gieniene die overziet
60   hoevule gelok, hoevule verdriet

     de liefde kun vergezellen.
     Daorom maj' gien oordiel vellen
     over de liefde van die non,
     waor zi'j niet an ontkommen kon.

65   Want de duvel zicht d'r op toe
     de meenske te verleiden, hi'j wodt et gienertied mu:
     bi'j dag of naacht en vroeg of laete
     is hi'j baandig doende mit et kwaod.

     Een protte meraokels het hi'j uutvunnen
70   om te bekoren mit vleselike zunden.
     De aarme non sturf duzend doden
     en ze biddede God, heur in heur noden

     troost te geven deur Zien genaode.
     Ze zee: "Ik bin zo zwaor belaeden
75   mit niks as liefde, en zo gewond
     - Hi'j wet et, die tot op de grond

     van de zielen of kan daelen -
     dat mien ziekte mi'j dot verdwelen.
     Ik moet een aander leven leiden,
80   dus ik leg mien habiet appat."

     Heur, hoe et heur hiernao vergong.
     zi'j dee daolik de jongeling
     van wie ze hul een brief toekommen
     mit wat mos wodden onderneumen:

85   hi'j zol in't klooster heur treffen
     en zo zien ni'je gelok begroeten.
     De bosschopper kwam, waor de jonge was.
     Die pakte de brief en las

     wat zien vrundinne him had schreven.
90   Et het him grote bliedschop geven
     en hi'j haostte him naor daor.
     d'r was al sund heur twaelfde jaor

     liefde tussen disse twieje
     en zi'j hadden et daor muuilik mit.
95   Naor et klooster gong hi'j rieden
     waor hi'j bi'j et raempien heur verbeidde

     dat daor in de bezoekzael zat.
     Veurzichtig vreug hi'j naor zien schat,
     as hi'j mit heur praoten moch en kieken.
100  Ze kwam een posien naotied

     om een teken van liefde op te vangen
     bi'j et raempien, dat mit iezeren stangen
     in lengte en brette was bevlochten.
     Hoe zi'j toch tegen heur traonen vochten,

105  want hi'j zat buten en zi'j zat binnen
     en zo konnen ze niks beginnen.
     Daor zatten ze, et leken uren
     en ze hadden zovule te verduren:

     verblekend, blozend, droef en bliede.
110  "Och lieveling," verzochtte zi'j,
     "ik hebbe d'r zoe'n protte muuite mit,
     toe, zegge mi'j vlogge een woortien of twie

     dat mi'j een betien troosten kan.
     Ik wor hier zo wanhopig van,
115  de liefdesangel in mien hat
     stikt mi'j en geft me piene en smat.

     Ik zal daegeliks moeten lieden
     tot ie mi'j kommen bevrijden."
     Hi'j keus zien woorden keurig:
120  "Ok ik, vrundinne, bin bedroefd,

     want al een protte lange daegen
     moe'n wi'j dit verdregen.
     A'k je wol tuten,
     dan kwam d'r de hieltied wat tussen.

125  An Venus mit heur streken
     biwwe bi'jkaans bezweken;
     mag God heur verdoemen,
     want ze lat twie mooie bloemen

     moedeloos de koppies bugen.
130  A'k jow kon overtugen
     et habiet ankaant te leggen
     en mi'j dan de tied te zeggen

     da'k je hier weg kon leiden...
     Ik zol alles veurbereiden:
135  mooie kleraosie zol ie dregen,
     rieke voering, bonten kraegen,

     maantel, jurk en boverklied.
     Mit jow pat ik lief en leed,
     ik blief bi'j je in de zoere
140  en de zute aeventuren

     as ie geleuf hechten an mien woorden."
     "Vrund, dit is wat ik graeg heurde,"
     zee zi'j, "dus neem ik et an
     en wil zoveer mit je gaon

145  dat gien meenske in de abdij
     meer wat wet van jow en mi'j.
     Kom dan over zeuven naachten
     en dan moej' op mi'j waachten

     in die mooie appelhof daore,
150  bi'j de wilde rozelaar.
     Dan kom ik een deurtien uut
     en dan bin ik dus je bruid,

     die zal gaon waor ie begeren.
     Zolange mi'j gien ziekten deren
155  en gien nerighied of zeerte,
     za'k wezen waor ie zullen wezen

     en je zorgen helpen dregen.
     'k Wil van jow etzelde vraogen."
     Doe dit was overienkommen,
160  het hi'j ofscheid van heur neumen

     en gong naor zien gezadeld peerd
     en ree hi'j in volle vaort
     over grös en over heide
     naor een stad, daor aorig dichtebi'j.

165  Daenke niet dat hi'j zien lief vergat:
     hi'j gong winkelen in die stad,
     kocht blauwe stof en ok scharlaeken
     en daorvan leut hi'j maeken:

     een maantel en een kappe, hiel bried,
170  een jurk en ok een boverklied,
     alles ofzet mit bont.
     Gieniene die iens vrouwluden vun

     mit mooiere kleraosie om te dregen:
     zi'j wodde prezen deur al wie heur zaggen.
175  Mes en riem, beugeltasse
     kocht hi'j heur, hoe duur et ok was,

     goolden haornetten en ringen,
     en nog vule meer mooie dingen.
     Naor al et biezundere leut hi'j vraogen
180  dat een bruid mar kan behaegen.

     Mit geld genoeg veur een peleis
     gong hi'j in de aovend laete op reis,
     is de stad stiekem uutreden
     mit op zien peerd de kostberheden

185  goed opstaepeld. Mit keite haost
     ree hi'j et klooster integen.
     Neffens ofspraoke zat hi'j daor
     onder de wilde rozelaar

     tussen de bloemen en de dauw
190  tot zien lieverd kommen zol.
     We laoten him daor even blieven
     om et mooie maegien te beschrieven

     dat him niet uut heur heufd kon zetten,
     die naacht, bi'j et luden van de metten.
195  Doe de metten weren zongen
     deur liekegoed de oolden as de jongen

     die in dat klooster weren gaon
     en ze uut et koor weg
     naor de slaopzael gongen mit zien allen,
200  leut zi'j heur op 'e kni'jen valen

     en ze zee innige gebeden,
     zoas zo pattietoeren in et verleden.
     Hiel benauwdachtig lag ze veur et alter
     en disse woorden biddede ze daor:

205  "Maria, moeke vol genaode,
     mien lichem, et kan nao mien daoden
     et habiet niet meer verdregen.
     Jow kennen in al zien levensdaegen

     de meenske en zien onzekerheden.
210  Ik hebbe vast en hebbe beden
     en bin mezels ok gaon kastieden,
     mar et brocht gien oplossing veur et lieden.

     De liefde leup mi'j onder de voet,
     zodat ik et wereldse dienen moet.
215  Zo waor, Heer, as jow wodde vongen
     en tussen twie boeven hongen

     an een kruus dat jow leden rekte,
     zo waorlik as Jow Lazarus wekte
     uut zien graf en uut zien dood,
220  zo waorlik kennen Jow al mien nood.

     Jow kun mi'j de zunden vergeven
     waorin ik zal moeten leven."
     Daornao het zi'j et koor verlaoten
     om mit Maria te gaon praoten:

225  ze is veur heur klein beeltien treden
     gong deur de kni'jen en het daor beden,
     dat ogenblik van aangst bevri'jded:
     "dag en naacht he'k wat ik liede

     Jow toevertrouwd: al mien verdriet,
230  mar een protte hulpen het et niet.
     Ik raek al mien verstaand nog kwiet
     a'k langer blief in dit habiet!"

     Ze trok heur pij uut en legde die daor
     op et Oonze Lieve Vrouwe-altaor.
235  Ze het heur sandalen uutdaon
     en luuster, hoe dit now deur zal gaon:

     De sleutels van de sacristie
     hong ze vlak bi'j Maria, die
     daor ston, vlak tegenover heur.
240  Ze hong die zwaore sleutels daor

     zodat die in et oge zollen springen
     as de getieden weer anvingen.
     Want alleman is wel zo goed
     dat hi'j Maria even groet,

245  alleman kikt heur toch an,
     zegt "ave", en gaon dan verdan.
     Dat leek de non een wis ding,
     zodat ze daor de sleutels hing.

     Daor gong ze dan in al heur leed,
250  alliend mar in een onderjurk kleed,
     is naor een deurtien toelopen
     en dee et veurzichtig eupen

     en ongemurken gong ze daoruut,
     stillegies, zonder geluud.
255  Vol van aangst kwam ze onder de bomen
     en de jongeling zag heur kommen

     en hi'j zee "Lieveling, schrik mar niet,
     et is je vrund, die aj' hier ziet."
     Doe die twie daor saemenkwammen,
260  doe begon zi'j heur te schaemen,

     want ze ston in heur ondergoed,
     mit niks op 't heufd of an de voet.
     Hi'j zee: "Maegien van mien verlangsten,
     ik zal je lichem gaon behangen

265  mit mooie sjalen en mooie kleraosie,
     ie hoeven je niet lange meer te schaemen,
     want alles ligt al veur je klaor."
     Doe gongen zi'j onder de rozelaor

     en daor weren kleren genoeg,
270  vule meer as waor ze iens omme vroeg.
     Van alles gaf hi'j heur twie peer;
     de blauwe kleren nam ze daor,

     fien van snit en goed van pas.
     en zo vrundelik as hi'j was...
275  Hi'j lachte: "Lief, dit hemelsblauw
     staot beter as dat kloostergrauw."

     Twie hozen trok ze an,
     twie Cordoba-schoenen, welgedaon,
     die heur zovule beter stonnen
280  as die sandalen, mit linten bunnen.

     Hi'j wol heur ok bliede maeken
     mit sluiers van witte kaante,
     die zi'j over heur heufd hennehong.
     Now tuutte heur de jongeling

285  vrundelik op heur mond.
     Et leek him, doe ze veur him ston,
     as de zunne al was gaon straolen.
     Vlogge is hi'j zien peerd gaon haelen

     en het heur veur him in et zadel zet
290  en ze reden, deur gien meenske belet
     an ien stok deur tot et gong daegen
     en ze gien aachtervolgers zaggen.

     Doe et al locht wodde in et oosten,
     zee ze: "God, die de wereld kan troosten...
295  laot Jow zegen op oons daelen.
     Ik zie de eerste zunnestraolen:

     was ik et klooster nog niet uut,
     ik hadde de morgenklokke luded,
     was as eerste in et koor kommen
300  in dat klooster mit zovule vromen.

     Mien reize zal mi'j altemet berouwen,
     de wereld is eins niet te vertrouwen
     en ik krieg mien pat daorvan.
     De wereld liekt een handelsman

305  die weerdeloze kermisdingen
     an de man brengt as goolden ringen."
     "Hemels mooi maegien, zo moej' niet praoten.
     as ik jow iens zol verlaoten,

     dan mag God mi'j kwellen.
310  Ik zal je altied vergezellen,
     in veurspoed en grote nood,
     niks kan oons scheiden as de dood.

     Waoromme twiefel ie an mi'j?
     Kwaode trouw was d'r gienertied bi'j
315  en op jow wa'k nog gienertied lelk.
     Sund ik jow as de liefste keus,

     leut ik alderdeegst gien keizerinnen
     meer in mien gedaachten binnen.
     Wol d'r zoe'niene mit mi'j leven,
320  'k zol an jow de veurkeur geven.

     Oons kan weinig overkommen,
     ponden he'k mitneumen,
     geld genoeg veur een peleis.
     Wees een dame, tot iedere pries.

325  Al gao'we naor Peries of Berlien,
     ik zal gien geld hoeven te lienen
     nog in gien zeuven jaoren."
     Ze zaggen opiens waor ze weren:

     an de zeum van een prachtig bos.
330  De voegels zongen d'r lustig op los,
     zodat ie heur verliefd chanson
     veer in de omtrek heuren konnen.

     Ieder zong zoas et him moch gebeuren.
     En bloemen in heur foeleinige kleuren
335  weren op et grune veld eupengaon,
     zo mooi, en die zo lekker reuken.

     Onder de heldere, wonderschone
     hemel stonnen een protte mooie bomen,
     allemaole riek vuld mit blaeder.
340  Now gong de jonge wat verklaoren

     dat hi'j al hiel lange in him dreug.
     "liefste," zee hi'j, "'t is hier mooi genoeg
     om wat te dwaelen en bloemen te plokken
     en de dingen te doen die et hatte verrokken:

345  et is hier geschikt veur et minnespel."
     "Boerepummel," zee ze, "wat daenk ie wel!
     Moe'k vri'jen in et eupen veld,
     zoas vrouwluden dat doen, veur geld

     mit heur ordinaire lieven?
350  Ik zol niet weten waor ik mos blieven
     van schaemte. Now weet ik, vent,
     dat ie een boerehufter binnen.

     God zal je om dit veurstel haten
     en mit zoe'niene hebbe ík mi'j inlaoten.
355  Now ja, as ie et mar niet zullen herhaelen.
     Heur! De voegelties in de daelen,

     heur ze zingen en hoe ze kwelen,
     dan hoef ie je niet te vervelen.
     As ik bi'j je bin en naekend
360  op een bedde, goed opmaekt,

     doe dan al wat je goeddonkt,
     alles waor je hatte om vragt,
     mar ie maeken mi'j withiete van binnen
     deur d'r hier over te beginnen."

365  Hi'j zee: "liefste, wees niet meer kwaod.
     Ik luusterde naor Venus zien raod.
     God geve mi'j schaande en plaogen
     as ik d'r iens weer omme zal vraogen."

     Ze zee: "Ik vergeef et je dan.
370  Ie bin veur mi'j de ienigste man
     van al wie d'r op eerde wonen.
     Al leefde Absalom, de schone,

     en al zol hi'j mi'j verklaoren
     dat ik mit him duzend jaoren
375  in weelde en rust zol meugen leven,
     ik zol jow d'r niet veur geven.

     Lieverd, ik hebbe jow uutverkoren.
     Gienend die over mi'j zal heuren
     dat ik jow iens was vergeten.
380  Was ik in et hemelriek zeten

     en ie hier beneden,
     ik kwam naor jow mit rasse schreden.
     O... god, laot et ongewreuken
     dat ik zo dwaes hebbe spreuken:

385  an de bliedschop in et hemelriek
     is hier gien inkelde bliedschop geliek.
     Daor is de minste zo volmaekt
     dat hi'j naor niks aanders smaekt

     as zien gezichte naor God te keren.
390  Al et eerdse is ellende,
     et beste op eerde haelt et niet
     bi'j et minste dat et volk daor zicht.

     Die dat begriepen, leven goed.
     Dat weet ik, ok now 'k dwaelen moet
395  en mi'j in zunden gao begeven,
     lieveling, deur mit jow te leven."

     En zo verleupen heur gesprekken.
     Ze bin deur barg en dal gaon trekken
     en daor is zovule meer geschied,
400  dat zeg ik allemaole mar niet.

     Een lange reize was dat,
     doe kwammen ze bi'j een stad
     in iene van de mooiste daelen.
     Daor konnen zi'j heur hatte ophaelen:

405  een tal jaoren, en wel zeuven,
     hadden ze daor een hiel luuks leven
     en bedreven de liefde saemen
     zodat d'r twie kiender kwammen.

     Mar doe ze nao die zeuven jaoren
410  deur al heur geld henne weren,
     doe mossen ze van alles belienen
     en doe, aachter mekeer, verdwenen

     kleraosie, sieraoden en peerden:
     alles verkocht veur de halve weerde,
415  hiel heur welveert naor de maone.
     Ze hadden gien middels van bestaon:

     zi'j kon alderdeegst gien gaoren spinnen
     om de kost d'r mit te winnen.
     Daorbi'j: d'r kwammen de hieltied hogere priezen
420  veur bier en wien en alle eteri'je,

     veur al waj' drinken konnen of bieten.
     En doe kwammen de verwieten.
     Ze weren allebeide liever dood
     as te gaon bedelen om brood.

425  De aarmoede speerde heur liefde niet
     al dee et heur beiden een protte verdriet.
     De man breuk al zien dure eden
     en leut heur in de narigheden,

     is naor zien eigen laand getogen
430  en was veur altied uut heur ogen.
     Zi'j mos et mit heur wondermooie
     twie kiender mar zien te rooien.

     Ze zee: "Et is krek gaon
     as ik al bange veur was van et begin of an.
435  Ik bin now in alle staoten,
     want diegene het mi'j verlaoten

     op wie ik mi'j altied verleut.
     Maria, Vrouwe, vergeet mi'j niet,
     bidde veur oons drienend, hemelse bosschopper,
440  dat de honger oons niet ommekommen lat.

     Now mien bestaon in dugen vul,
     moet ik mien lichem en mien ziel
     bevlekken mit zundige daoden.
     Maria, Vrouwe, hebbe genaode.

445  Ok al kon ik gaoren spinnen,
     wat zol ik d'r mit winnen?
     In twie weken een half brood.
     Ik moet, dwongen deur de nood,

     buten de stad, in 't eupen veld
450  mien lichem verkopen veur geld
     om eten te kunnen kriegen,
     want ik moet toch mien eigen

     kiender eten geven?"
     Zo gong zi'j in zunde leven,
455  want et volk vertelt, en et is waor,
     dat ze gedurende zeuven jaor

     as peblieke vrouw in et leven gong
     en menige zunde kreeg
     deur an wildvremde lieden
460  heur lichem an te bieden.

     Ze vun d'r gien genoegen in,
     ze dee et veur een schaemel gewin,
     waormit zi'j heur kiender te eten gaf.
     Ik zie d'r van of

465  heur zunden te beschrieven, onnumelik zwaor,
     waor zi'j in leefde, veertien jaor.
     Mar iene ding vergat ze niet
     in al heur ellende en verdriet:

     zi'j biddede alle daegen in vol vertrouwen
470  de zeuven getieden van Oonze Lieve Vrouwe.
     Dat dee ze om Maria te eren:
     die kon heur weeromme doen keren

     uut de zundige daoden
     waormit ze was belaeden
475  al een volle veertien jaor
     en dat is mar al te waor.

     Zeuven jaor was ze mit een man,
     daor kwammen twie kiender van,
     hi'j leut heur in de ellende,
480  zodat zi'j niks as zorgen kende.

     De ankem zeuven hebben jow ok heurd,
     mar hoe zette zi'j heur leven vot?
     De veertien jaoren weren veurbi'j.
     Doe gaf God heur berouw, zodat zi'j

485  heur schuldig vuulde en zo bezwaord
     dat ze liever mit een scharp zweerd
     heur heufd d'r of had laoten houwen
     dan dat ze meer zunden had begaon,

     heur lichem nog langer had bevuild.
490  Dag en naacht het zi'j zo goeld
     dat heur ogen mar zelden dreugden.
     Ze zee: "Maria, die God zoogde,

     bron van genaode boven alle vrouwluden,
     laot mi'j niet nog langer rouwen.
495  Vrouwe, jow hebben ondervunnen
     dat ik spiet hebbe van mien zunden

     en jow weten, ze doen mi'j zeer.
     D'r weren d'r zovule, ik weet niet meer
     waor ik ze dee en mit wie allemaole.
500  Jammer! Ze wodden mi'j fataol,

     want now God mi'j uut et oge het verleuren,
     op de dag dat de zunden blieken
     van de aarmen liekegoed as van de rieken:
     as alle misdaoden wodden wreuken

505  die niet in een biecht wodden bespreuken
     en waorveur gien boete is daon.
     Daor is gien inkelde twiefel an

     en daorveur bin ik bange al mien daegen.
510  Al zo'k een haoren klied gaon dregen
     en d'r in gaon kroepen, om te boeten,
     van laand naor laand, op hanen en voeten,

     op blote voeten, zonder kouse of schoe,
     et zol niet zovule goed kunnen doen
515  dat mien schuld mi'j dan verleut.
     Maria, waoromme troosten Jow mi'j niet?

     Bron van genaode, boven alles verheven,
     die alle meensken hope kan geven:
     Theophilus is d'r een veurbeeld van.
520  Gien groter zundig persoon as die man,

     die liekegoed zien ziel as zien leven
     an de duvel in lien hadde geven
     en alles dee wat de duvel wol
     en toch deur Jow verlost wodde, o, Vrouw.

525  Al gong ik ok deur alles henne
     en wodde ik minacht deur alleman,
     wat veur een leven ik ok hadde,
     Vrouwe, jow weten et toch, ik biddede

     veur jow de hieltied weer mien gebeden.
530  Veracht mi'j niet om mien verleden,
     want hoe meer mi'j dat zal bedroeven,
     des te meer zal ik Jow hulpe hoeven.

     Ik vertrouw toch mit reden:
     gieniene het ommenocht gebeden
535  van wie d'r daegeliks beden
     "Ave Maria, vol van genaode."

     Wie jow heur gebed doen heuren,
     zi'j weten al van teveuren
     dat d'r troost komt en medelieden:
540  jow kriegen oons in jow aarms,

     God zien uutverkoren bruid!
     Jow Zeune stuurde toch een bosschopper uut,
     in Nazareth het hi'j jow vunnen,
     mit een bericht, gienertied ere verzunnen,

545  en nog gienertied van een bosschopper heurd:
     dat jow neffens dit heilig woord
     zegend onder de vrouwluden binnen.
     Daordeur bin jow nog de hieltied bliede,

     en praot iene jow dan ok zo an,
550  al leidet hi'j nog zoe'n zundig bestaon,
     jow maeken him gien verwieten
     en zullen bi'j jow Zeune veur him pleiten."

     Zo biddede et zundig vrommes alle daegen,
     zo bleef ze alsmar smeken en klaegen.
555  Ze nam een kiend an iedere haand
     en zo trok ze deur et hiele laand,

     bedelend as et volk wat wol geven,
     want ze mos van de aolmoezen leven.
     Zi'j doolde krek zo lange de wereld rond
560  tot ze bi'j toeval et klooster vun

     waor ze verbleven had as non.
     Ze is nao et laeste locht van de zunne
     bi'j et huus van een wedevrouw ankommen
     waor ze vreug om een onderkommen

565  omreden ze now niet veerder kon reizen.
     "Ik kan jow echt de deure niet wiezen,"
     zee de wedevrouw, "met die twie schaopen,
     die bi'jkaans al lopen te slaopen.

     Rust daor mar even,
570  jow pat zal ik jow geven
     van wat God mi'j wol geven
     om Zien Moeke te gedaenken."

     Mit heur kiender moch zi'j daor eten
     en now zol ze hiel graeg weten
575  hoe in et klooster de zaeken stonnen.
     "Beste vrouw," vreug ze onomwunnen,

     "is dat daor et klooster van de edelvrouwen?"
     "Ja," zee die, "daor kunn jow op vertrouwen
     en jow zullen nargens een klooster betreden
580  mit zovule anzien en kostberheden.

     De nonnen die d'r habijten dregen,
     jow kun et bi'j iederiene nao gaon vraogen,
     die bin zo rein en vol goeie warken,
     daor is niet dát op an te marken."

585  En zi'j die bi'j heur kiender zat,
     ze zee: "Waoromme zeggen jow dat?
     Ik heurde nog gien weke leden
     over bepaolde eigenaorigheden,

     et weren hiele vremde zaeken
590  en et had mit de kosteres te maeken.
     Iene bezweerde mi'j as echt waor
     dat die hier veur veertien jaor

     zomar uut et klooster verdween
     en dat gieniene wet waorhenne
595  en in wat laand zi'j overleed."
     Doe wodde de wedevrouw withiete

     en zee: "Jow zitten uut jow nekke te praoten!
     Ik zol et now mar laoten
     om jow zo over heur te uteren,
600  of jow staon sebiet weer buten!

     In de veertien jaor dat zi'j
     kosteres was in de abdij,
     het et volk heur, zo ieverig is zi'j,
     nog gien ure hoeven te missen

605  - as zi'j was dus ongesteld -
     zodat wie kwaod van heur vertelt,
     him wel hiel diepe schaemen moet.
     Zi'j is zo zuver van gemoed

     as alle nonnen weensken mochten.
610  As zi'j in alle kloosters zochten
     tussen de Elbe en de Gironde,
     daenke dan mar niet dat ze iene vunnen

     die et in vroomhied bi'j heur haelt."
     Zi'j, die zo lange hadde dwaeld,
615  vuulde een wonder in disse woorden
     en ze zee: "as ik now es heurde

     hoe heur va en moeke hieten."
     Doe de vrouw heur dat leut weten,
     wus ze dat die heur bedoelde.
620  Ach, God, hoe ze heur die naachs vuulde,

     goelend op de bedderaand.
     "Niks," zee ze, "he'k as paand
     as alliend mien diep berouw.
     Help mi'j dan, Maria, Vrouw!

625  mien zunden doen mi'j wel zoe'n piene,
     as d'r een hiete ovend zol wezen,
     die zo verschrikkelik gloeide
     dat de vlammen d'r uutsproeiden,

     ik zol d'r zo naor binnenlopen
630  as dat mien zunden vri'j kon kopen.
     Heer, Jow vienen wanhoop uut et lelke,
     daorom bin ik gien raodeloze.

     Hoop op genaode he'k de hieltied,
     al raek ik ok de schrik niet kwiet,
635  al leef ik ok in aangst en beven.
     Gienertied kon d'r zoe'n groot zundig meenske leven,

     sund Jow op eerde kwammen
     en de vorm van een meenske annammen
     en an et kruus wol bezwieken,
640  of Jow kwammen him de haand wel rieken

     as him zien zunden echt berouwden:
     ja, hi'j was asnog beholen.
     Dit dielt et evangelie oons mit
     over die zundige meenske van de twieje,

645  die an Jow rechterhaand hong.
     Et is oons tot troost en leniging
     dat Jow zien ziel wol beholen
     zogauw zien zunden him berouwden.

     Ik vertrouw hierop, mit reden,
650  want Jow zeden: "Vrund, ie zullen now
     mit mi'j mien keuninkriek in gaon,
     dat geef ik je te verstaon."

     Ok Heer, maekten Jow eupenbaor
     dat Gisemans de moordener
655  op et alderlaest om genaode biddede.
     Gien goold gaf hi'j en ok gien schat

     aanders as zien berouw van zunden.
     Jow genaode is niet te begriepen,
     krek zo min as de meensken iens iene zag
660  die de zee leegschepte in iene dag,

     tot op de alderdiepste gronden.
     D'r was dus gienertied zoe'n grote zunde
     of Jow genaode gong die te boven.
     Dus ok veur mi'j, zo wil ik geleuven,

665  gelt Jow greenzeloze baarmhattighied,
     want ik hebbe grote, grote spiet."
     Midden in dit gebed
     kwam een slaop over al heur leden

     en doe is in heur dromen
670  et visioen kommen
     dat een heldere stemme heur reup
     waor zi'j lag en sleup:

     "vrouw, ie hebben zo lange karmd
     dat Maria heur het ontfarmd
675  over jow en genaode het ofbeden.
     Ie moe'n now et klooster weer betreden.

     Ie vienen de deuren wied eupen
     waor ie iens binnen uutlopen
     mit de man die jow liefde beud,
680  mar je in de steek leut in de nood.

     Je habijt mit alles d'r op en d'r an
     moej' op et alter zuken gaon.
     Struup pij en sandalen an, doe drekt
     ok de sluier weer om je henne.

685  Bedaanke now Maria mar.
     De sleutels van de sacristie bin daor
     waor ie ze veur et beeld ophongen,
     die naachs daj' uut et klooster gongen.

     Maria kon ze zo beweren
690  dat de meensken jow die veertien jaoren
     alderdeegst gien ogenblikje misten,
     niks van je verdwiening wussen.

     Maria hoolt je zo te vrund
     dat zi'j de hieltied veur je het diend
695  in jow gedaonte en jow kleraosie.
     Zi'j, die de hemel mag regeren,

     het dat, zundig vrommes, veur jow daon.
     Ie moe'n weer naor et klooster gaon,
     waor gieniene je bedde het inneumen.
700  Dit bericht is van God kommen."

     Doe hi'j dit dudelik hadde maekt,
     is ze vot-en-daolik ontwaekt
     en zee: "God, die de wereld bouwde,
     Jow moe'n de duvel now weerholen

705  van et brengen van meer droefenis
     as d'r al is.
     Wat zollen ze in et klooster zeggen?
     as ze mi'j vongen as dievegge,

     kwam ik in nog vule meer verdriet
710  as doe ik de abdij verleut.
     Ik smeek Jow, Heer, zo wies en goed,
     bi'j et kostelike bloed

     dat an et kruus Jow ziede uutleup,
     laot de stemme die mi'j reup
715  - as die warkelik is kommen
     tot mien veurdiel - toch niet schromen

     him nog es te eupenbaoren,
     ja, laot die drie keer verklaoren
     dat ik echt van now of an
720  naor et klooster weeromme mag gaon.

     Dan zegen ik Jow daorboven
     en zal Maria de hieltied loven."
     En de aandernacht... now luuster...
     Kwam d'r een stemme uut et duuster

725  Die heur disse bosschop brocht:
     "vrouw, now niet te lange waacht!
     Gao drekt weer in je klooster,
     dan is God van now of an je trooster.

     Doe wat Maria je zegt:
730  ik bin heur bosschopper, twiefel niet!"
     Doe ze de stemme, tot heur kommen,
     de twiede keer hadde verneumen

     mit et bevel om in et klooster te gaon,
     doe duste ze et nog niet an.
735  De dadde naacht docht ze bi'j heurzels:
     "misschien het een kwaoie elf

     een grap mit mi'j uut willen haelen.
     'k Zal mit liekese munt betaelen
     an de duvel mit al zien kracht.
740  As hi'j hier komt, vannaacht,

     Heer, laot him dan de kluts kwietraeken
     en him uut de voeten maeken
     eer hi'j mi'j nog meer schae dot.
     Moeke Maria, wees zo goed

745  en laot mi'j weer de stemme verstaon
     die zegt dat ik in et klooster moet gaon.
     Om et kiend dat Jow hebben dreugen,
     Vrouwe, wil ik Jow dit vraogen."

     Zi'j bleef wakker, die dadde naacht.
750  Een stemme mit goddelike kracht
     en deur een schittering omgeven,
     zee: "zo kun ie niet veerder leven.

     Wat Maria jow deur mi'j zegt,
     waoromme doe ie dat toch niet?
755  Vrouw, ie waachten al vusen te lange.
     Gao in et klooster, wees niet bange,

     ie zien daor de deuren wied eupenstaon
     en waor ie gaon willen, maj' gaon.
     Je habijt vien ie daore,
760  want et ligt op et alter."

     Dit zee de stemme mit een protte gezag
     en doe wodde et zundig vrommes dat daor lag
     deur de glaans bi'jkaans verbliend
     En zee: "wat ik hier beviene,

765  is warkelik deur God stuurd
     en deur Maria in odder bevunnen.
     Dit is gien leugen, dit is waor,
     ik beseffe et zunneklaor.

     Now he'k mi'j veurneumen
770  om in et klooster weeromme te kommen.
     Ik zal op de troost vertrouwen
     van heur, van Oonze Lieve Vrouwe,

     en mien kiender zullen beiden
     leven onder God zien geleide,
775  zodat et goed mit heur zal gaon."
     Doe het ze heur kleraosie uutstruupt

     om heur kiender daormit toe te dekken,
     zachies, om ze niet wakker te wekken.
     Ze tuutte heur allebeide op de mond
780  en zee: "mien kiender, blief gezond.

     in de troost van Oonze Lieve Vrouwe
     laot ik jim aachter, in goed vertrouwen.
     'k Hadde zonder Maria as advekaote
     jim hier niet aachterlaoten,

785  niet veur alle schatten van Rome."
     Heur, wat heur veerder is overkommen.
     In traonen het de kienderloze
     de kotste weg naor et klooster keuzen.

     Ze is deur de appelhof henne lopen
790  en vun daor een ziedpoortien eupen.
     Daor leup ze dan, hiel hadde.
     "Maria, daank Jow wel.

     Now bin ik binnen de muren,
     geef mi'j gien ni'j verdriet te verneren."
795  Waor zi'j kwam hennelopen,
     ston de deure wiedwaegen veur heur eupen.

     Ze is in de karke gaon
     en praotte zachies tegen God an:
     "lieve Heer, dit wi'k vraogen:
800  help mi'j et habijt weer te dregen

     dat ik daelelegde, veur veertien jaor,
     op et Oonze Lieve Vrouwe-alter,
     de naacht da'k de abdij verleut."
     Wat ik now zegge, lieg ik niet,

805  al kan 'k et niet verklaoren:
     sluier, pij en sandalen weren
     daor niet anraekt bleven
     sund ze votgong uut dat leven.

     Vlogge gong zi'j heur daorin klieden
810  en doe het ze dit bidden:
     "goeie God, en Maria, zo rein,
     wel zegend moe'n Jow wezen.

     Jow, de bloeme van alle deugden,
     die in maegdelike vreugden
815  kreeg, zonder wee of piene,
     wie veur altied Heer zal wezen.

     Ongemeten is Jow weerde,
     Jow kiend maekte hemel en eerde.
     God het Jow et gezag geven
820  dat wi'j dienen, hiel oons leven.

     Oonze Heer, oons aller breur,
     Him geheurzaemen Jow as moeke
     én meugen Jow Zien dochter hieten,
     tot grote troost veur wie dat weten.

825  De meensken kan Jow om genaode vraogen
     tot in de alderlaeste daegen.
     Jow hulpe is allemachtig groot.
     Ik hadde verdriet en was in nood,

     mar Jow hebben et zo ommekeerd
830  da'k bliede wodde van wat mi'j het bezeerd.
     Jow te dienen is mien verlangst."
     En doe zag zi'j de sleutels hangen

     van de sacristie, waor ze die hong
     veur ze de abdij verlaoten gong.
835  Ze het de sleutels mitneumen
     en ze is bi'j et koor kommen,

     waor ze laampen branen zag in alle hoeken.
     Daornao leup ze rond mit de boeken
     tot ze allemaole op heur plakkien laggen,
840  zoas ze et dee in eertieds daegen.

     Tot Maria het ze bidded
     om hulpe uut de narigheden,
     om die twieje, die ze aachterleut
     in et huus van de wedevrouw, in groot verdriet.

845  Van disse dag weren de uren daon:
     et kleine uurwerk begon te slaon,
     etgeen de middernaacht bedudede.
     Ze nam et klokketouw en ludede

     de mettentied zo diepbeweugen
850  dat alle nonnen heur bedde uutvleugen,
     die boven in de slaopzael laggen,
     liekegoed de vloggen as de traogen.

     En zonder dat ientien had kunnen heuren
     dat een aander heur wekte as daegs teveuren.
855  Ze bleef in et klooster, de rest van heur tied.
     D'r was gien teuteri'je, gien inkeld verwiet.

     Maria was in heur plak kommen warken
     en gieniene had et verschil kunnen marken.
     Zo was et zundig vrommes bekeerd
860  daank zi'j Maria, die ieder vereert,

     die de hemel mag regeren
     en die zonder mankeren
     heur vrunden wet te berieken
     as die onder zorgen bezwieken.

865  De vrouw van wie jow et verhael mochten heuren,
     is weer kloosterzuster as teveuren.
     Mar vergeten we now ok niet:
     de kiender die ze aachterleut

     in et huus van de wedevrouw, in grote nood,
870  want daor was gien geld en ok gien brood.
     Ik zol jim liever mar besperen
     hoe diepe bedroefd as zi'j weren

     zo zonder moeke, en hoe schrokken.
     De wedevrouw het ze op schoot trokken,
875  zi'j hadde verschrikkelik medelieden.
     Ze overeidede: ik gao mit die beiden

     mi'j naor de abdij toe begeven,
     waor God de abdis wel in zal geven
     dat zi'j heur bi'j moet staon.
880  Ze dee heur de kleraosie en schoenen an

     en gong mit heur naor de abdij.
     Ze toonde ze an de abdis en zee:
     "zie de nood van disse twie wezen:
     de moeke leut ze in aangst en vrezen

885  in mien huisien aachter, naachs,
     en verdween doe onverwaachs,
     naor weet ik waor in west of oost.
     Ze leut de kiender zonder troost.

     Ik hulp ze graeg, a'k wus hoe."
890  De abdis zee heur toe:
     "laot ze bi'j jow blieven wonen,
     ik zal jow daorveur belonen,

     daorveur hoeven jow niet te vrezen,
     want oons pottien veur de wezen
895  kan beslist nog wel wat verneren.
     Jow moe'n daegs een bosschopper sturen

     die drinken veur heur haelt en eten.
     Ontbrekt heur wat, laot mi'j dat weten."
     De wedevrouw was bliede
900  mit wat de abdis heur zee.

     Ze het de kiender weer mitneumen,
     dus die bin goed terechtekommen.
     De moeke, die heur iens moch zogen,
     en pienen om heur mos gedogen,

905  veur heur was 't een oplochting
     dat et heur zovule beter gong,
     die twieje, die ze zovule verdriet
     bezorgde, doe ze heur verleut.

     Dat et goed gong mit die kiender,
910  dee heur zorgen aorig verminderen.
     Ze leidde van now of an een vroom leven,
     mit nog hiel wat zochten en beven,

     liekegoed naachs as overdag
     as ze heur leven overzag
915  en berouw hadde van heur zunden,
     die gieniene kon begriepen,

     die veur de wereld verburgen bleven
     en die ze niet het opschreven.
     Hiernao kwam d'r op een dag
920  een abt, die et volk daor vaeker zag:

     hi'j inspekteerde alle jaoren
     et klooster, of daor dingen weren
     die niet deur de beugel konnen.
     Iens in 't jaor dee hi'j zien ronde.

925  De dag dat de abt in et klooster zat,
     lag et zundig vrommes in et koor en biddede
     heur gebed in de stilte daor.
     Twiefels overvullen heur:

     de duvel had heur schaemte geven
930  om te maeken dat zi'j heur leven
     niet an de abt zol eupenbaoren.
     Doe ze daor zo lag te steren,

     zag ze een jongkerel die daor schreed,
     hielendal in et wit in de kleren.
935  Op zien aarm dreug hi'j een bloot
     klein kiend, et leek heur al dood.

     De jongkerel gooide een peer keer
     een appel op en vong him weer
     om et kientien te vermaeken.
940  Dit mos heur wel in et hatte raeken,

     die daor zo hiel stillegies biddede.
     "vrund," zee ze, "wat betekent dat?
     As jow stuurd binnen van God,
     dan vraog ik jow bi'j Zien gebod

945  dat jow mi'j de reden leren
     waoromme jow et kientien amuseren
     mit die appel, zo mooi rood
     et kiend op jow aarm is toch dood?

     Hi'j vernemt niet wat jow veur him doen."
950  "wisse, non, dat zie ie goed.
     De bliedschop van et speulen
     kan 'k mit dit kiend niet meer patten,

     et is dood en heurt noch zicht.
     En krek zo ... wet God ok niet
955  dat ie gebeden zeggen en vaasten.
     Et helpt je echt gien bast,

     et kan je gien goeds bereiden,
     krek zo min as daj' jezels kastijden.
     Ie leveen nog zo in zunden vot
960  dat God je gebeden niet heurt,

     daor waor hi'j is zeten.
     Daoromme moej' dit weten:
     schiet op, non, en benaoder
     de abt. Hi'j is een vader,

965  biecht je zunden zonder te liegen,
     laot de duvel je niet bedriegen.
     Al waj' de abt kommen melden,
     kan hi'j je kwiet doen schellen,

     mar waoj' niet van willen praoten,
970  dat zal God vreselik op je wreken!"
     De jongkerel hoefde niet méér te betogen
     en gong veur altied uut heur ogen,

     mar et was goed: ze begreep him toch?
     En diezelde morgen nog
975  is ze bi'j de abt kommen
     zodat heur de biecht wodde ofneumen.

     Hi'j was wies en welgezind
     en hi'j zee: "mien lieve kiend,
     dat weiger ik netuurlik niet.
980  As ie je zunden overzien

     en overdenken, za'k ze heuren."
     Naor waor gieniene heur kon storen
     hebben zi'j heur doe begeven
     en zi'j vertelde him hiel heur leven,

985  alles wat heur was overkommen:
     hoe heur verstaand heur was ontneumen
     deur liefde, dat ze in dwaeze grillen
     niks aanders hadde te willen

     as et habijt toe te vertrouwen
990  an et alter van Oonze Lieve Vrouwe
     om vot te gaon mit een man.
     Daor kwammen twie kiender van.

     Van alles wat heur was gebeurd,
     verzweeg ze alderdeegst et slimste niet.
995  Alles wat heur hadde verward,
     biechtte zi'j uut de grond van heur hatte.

     En de abt, die dat daor heurde,
     die vrome vader zee de woorden:
     "dochter, ik zal je absolveren,
1000 van de zunden die je deren,

     die je piene doen, sund lange tied.
     God zien moeke is gebenedijd
     en boven alles leufd."
     Hi'j legde een haand op heur heufd,

1005 waormit de zunde van heur week.
     Hi'j zee: "ik zal in een preek
     de meensken van je biecht berichten,
     mar ik zal et zo verdichten

     dat gieniene op et idee zal kommen
1010 dat et jow en je kiender is overkommen:
     gieniene zal een vermoeden kriegen.
     Et zol niet goed wezen om dit te verzwiegen,

     dit mooie wonder, dat de Here
     voltrok om Zien moeke te eren.
1015 Ik zal et uutdregen, rondomme,
     want deur dit verhael toch zal

     mennig zundig persoon him bekeren
     en Oonze Lieve Vrouwe eren."
     Hi'j gong et klooster onderwiezen,
1020 eer hi'j weer naor huus mos reizen,

     wat d'r mit een non was gebeurd.
     Wie ze was, daor bin ze niet
     in de veerste veerte aachterkommen.
     De abt het ofscheid neumen

1025 en hi'j nam de non heur beide
     kiender onder zien geleide.
     Hi'j gaf ze beiden een grauwe pij
     en vrome manluden wodden zi'j.

     Heur moeke hiette Beatrijs.
1030 An God alle lof en pries
     en an Maria, die Him zoogde
     en die mit dit wonder beoogde

     te tonen dat zi'j helpt in de nood.
     Lao'we bidden, klein en groot
1035 an wie dit wonder is veurdreugen:
     dat et Maria mag behaegen

     oonze veurspraoke te wezen in et zute dal
     waor God de wereld oordielen zal.

 Amen.

***

Home
Naar boven

Een aandere meugelikhied...

Beatrijs

01   Et dichten brengt mi'j weinig veurdiel.
     De meerste meensken bin van oordiel
     da'k een aander vak moet leren.
     En toch, om heur te eren
05   die as moeke maegd kon blieven,
     wi'k een wonder gaon beschrieven
     waormit de Here God beoogde
     Maria te loven, die him zoogde.
     Over een non wil ik gaon dichten:
10   mag God mien geest verlochten,
     want ik moet heufd- en bi'jzaeke scheiden
     en dit tot een goed aende leiden.
     Ik moet mi'j an de feiten holen
     die Gijsbrecht mi'j iens toevertrouwde,
15   een monnik die as schriftgeleerde
     daegeliks boeken bestudeerde
     en daorin ok dit wonder las.
     De non, van wie al spraoke was,
     was een edelvrouw, zo fien van zeden
20   dat de meensken d'r, naor ik mien, op 't heden
     niet iene meer vint van dat gehalte,
     van liekegoed zeden as gestalte.
     A'k de lof zong van heur leden
     en van al heur bekoorlikheden,
25   zol dat de heurder weinig stichten.
     Heur dan, wat zi'j veur wark verrichtte
     gedurende de lange tied
     dat ze klieded was in et habijt,
     daor in dat mooie klooster, waor
30   zi'j kosteres was, jaor nao jaor.
     Ze was gienertied lui of onzorgvuldig,
     bi'j dag of naacht gienertied ongeduldig,
     was vlogge en veerdig in heur wark,
     mos de klokke luden in de karke,
35   legde boeken klaor, stak keerzen an,
     het morgens et klooster op doen staon.
     Mar mit dat al was zi'j niet zonder
     et gevuulte dat andot as een wonder
     bi'j wie et treft, in alle lanen:
40   de liefde, die now iens tot schaande,
     ziekte, wraoke of weemoedighied
     en dan ok weer tot bliedschop leidet.
     De wieze maekt ze tot zoe'n zot
     dat hi'j de knecht wodt van zien lot,
45   of dat him now verheugt of spiet.
     Goenend raeken de kluts goed kwiet:
     moe'n ze now praoten of zwiegen
     om et gewenste te kriegen?
     Liefde lopt mennigiene onder de voete,
50   die ze al dan niet weer opstaon dot
     en ze maekt tot gulle luden
     wie gien stuver zollen bieden
     as zi'j et niet veur zol schrieven.
     D'r bin d'r ok, die staandvaastig blieven,
55   die saemen patten in heur leven
     al wat de liefde het geven
     an bliedschop en genot en rouw
     en zokke liefde nume ik: trouw.
     D'r is gieniene die overziet
60   hoevule gelok, hoevule verdriet
     de liefde kun vergezellen.
     Daorom maj' gien oordiel vellen
     over de liefde van die non,
     waor zi'j niet an ontkommen kon.
65   Want de duvel zicht d'r op toe
     de meenske te verleiden, hi'j wodt et gienertied mu:
     bi'j dag of naacht en vroeg of laete
     is hi'j baandig doende mit et kwaod.
     Een protte meraokels het hi'j uutvunnen
70   om te bekoren mit vleselike zunden.
     De aarme non sturf duzend doden
     en ze biddede God, heur in heur noden
     troost te geven deur Zien genaode.
     Ze zee: "ik bin zo zwaor belaeden
75   mit niks as liefde, en zo gewond
     - Hi'j wet et, die tot op de grond
     van de zielen of kan daelen -
     dat mien ziekte mi'j dot verdwelen.
     Ik moet een aander leven leiden,
80   dus ik leg mien habijt appat."
     Heur, hoe et heur hiernao vergong.
     zi'j dee daolik de jongeling
     van wie ze hul een brief toekommen
     mit wat mos wodden onderneumen:
85   hi'j zol in't klooster heur treffen
     en zo zien ni'je gelok begroeten.
     De bosschopper kwam, waor de jonge was.
     Die pakte de brief en las
     wat zien vrundinne him had schreven.
90   Et het him grote bliedschop geven
     en hi'j haostte him naor daor.
     d'r was al sund heur twaelfde jaor
     liefde tussen disse twieje
     en ze hadden et daor muuilik mit.
95   Naor et klooster gong hi'j rieden
     waor hi'j bi'j et raempien heur verbeidde
     dat daor in de bezoekzael zat.
     Veurzichtig vreug hi'j naor zien schat,
     of hi'j heur moch praoten en kieken.
100  Ze kwam een posien naodien
     om een teken van liefde op te vangen
     bi'j et raempien, dat mit iezeren stangen
     in lengte en brette was bevlochten.
     Hoe zi'j toch tegen heur traonen vochten,
105  want hi'j zat buten en zi'j zat binnen
     en zo konnen ze niks beginnen.
     Daor zatten ze, et leken uren
     en ze hadden zovule te verneren:
     verblekend, blozend, droef en bliede.
110  "och lieveling," verzochtte zi'j,
     "ik hebbe d'r zoe'n protte muuite mit,
     toe, zegge mi'j vlogge een woortien of twie
     dat mi'j een betien troosten kan.
     Ik wodde d'r zo wanhopig van,
115  de liefdesangel in mien hatte
     stikt mi'j en geft me piene en smat.
     Ik zal daegeliks moeten lieden
     tot ie mi'j kommen bevrijden."
     Hi'j keus zien woorden keurig:
120  "ok ik, vrundinne, bin bedroefd,
     want al een protte lange daegen
     moe'n wi'j dit verdregen.
     A'k je wol tuten,
     dan kwam d'r de hieltied wat tussen.
125  An Venus mit heur streken
     biwwe bi'jkaans bezweken;
     mag God heur verdoemen,
     want ze lat twie mooie bloemen
     moedeloos de koppies bugen.
130  A'k jow kon overtugen
     et habijt ankaante te leggen
     en mi'j dan de tied te zeggen
     da'k je hier weg kon leiden…
     Ik zol alles veurbereiden:
135  mooie kleraosie zol ie dregen,
     rieke voering, bonten kraegen,
     maantel, jurk en overklied.
     Mit jow pat ik lief en leed,
     ik blief bi'j je in de zoere
140  en de zute aeventuren
     as ie geleuf hechten an mien woorden."
     "Vriend, dit is wat ik graeg heurde,"
     zee zi'j, "dus neem ik et an
     en wil zoveer mit je gaon
145  dat gien meenske in de abdij
     meer wat wet van jow en mi'j.
     Kom dan over zeuven naachten
     en dan moej' op mi'j waachten
     in die mooie appelhof daore,
150  bi'j de wilde rozelaar.
     Dan kom ik een deurtien uut
     en dan bin ik dus je bruid,
     die zal gaon waor ie begeren.
     Zolange mi'j gien ziekte deert
155  en gien naerighied of zeerte,
     za'k wezen waor ie zullen wezen
     en je zorgen helpen dregen.
     'k Wol van jow etzelde vraogen."
     Doe dit was overienkommen,
160  het hi'j ofscheid van heur neumen
     en gong naor zien gezadeld peerd
     en doe ree hi'j in volle vaort
     over grös en over heide
     naor een stad, daor aorig dichtebi'j.
165  Daenke niet dat hi'j zien lief vergat:
     hi'j gong winkelen in die stad,
     kocht blauwe stof en ok scharlaeken
     en daorvan leut hi'j maeken:
     een maantel en een kappe, hiel bried,
170  een jurk en ok een overklied,
     alles ofzet mit bont.
     Gieniene die iens vrouwluden vun
     mit mooiere kleraosie om te dregen:
     zi'j wodden prezen deur al wie ze zaggen.
175  Mes en riem, beugeltasse
     kocht hi'j heur, hoe duur et ok was,
     goolden haornetten en ringen,
     en nog vule meer mooie dingen.
     Naor al et biezundere leut hi'j vraogen
180  dat een bruid mar kan behaegen.
     Mit geld genoeg veur een peleis
     gong hi'j in de aovend laete op reis,
     is de stad stiekem uutreden
     mit op zien peerd de kostberheden
185  goed opstaepeld. Mit keite haost
     ree hi'j et klooster integen.
     Neffens ofspraoke zat hi'j daor
     onder de wilde rozelaar
     tussen de bloemen en de dauw
190  tot zien lieverd kommen zol.
     We laoten him daor even blieven
     om et mooie maegien te beschrieven
     dat him niet uut heur heufd kon zetten,
     die naacht, bi'j et luden van de metten.
195  Doe de metten weren zongen
     deur liekegoed de oolden as de jonge
     die in dat klooster weren gaon
     en ze uut et koor weg
     naor de slaopzael gongen mit heur allen,
200  leut zi'j heur op heur kni'jen valen
     en ze zee innige gebeden,
     zoas zo pattietoeren in et verleden.
     Hiel benauwdachtig lag ze veur et alter
     en disse woorden biddede zi'j daor:
205  "Maria, moeke vol genaode,
     mien lichem, et kan nao mien daoden
     et habijt niet meer verdregen.
     Jow kennen in al zien levensdaegen
     de meenske en zien onzekerheden.
210  Ik hebbe vast en hebbe bidden
     en bin mezels ok gaon kasti'jden,
     mar et brocht gien oplossing veur et lieden.
     De liefde leup mi'j onder de voet,
     zodat ik et wereldse dienen moet.
215  Zo waor, Heer, as jow wodde vongen
     en tussen twie boeven hongen
     an een kruus dat jow leden rekte,
     zo waorlik as Jow Lazarus wekte
     uut zien graf en uut zien dood,
220  zo waorlik kennen Jow al mien nood.
     Jow kun mi'j de zunden vergeven
     waorin ik zal moeten leven."
     Daornao het zi'j et koor verlaoten
     om mit Maria te gaon praoten:
225  ze is veur heur klein beeltien treden
     en knielde daor en het daor beden,
     dat ogenblik van aangst bevri'jded:
     "dag en naacht he'k wat ik liede
     Jow toevertrouwd: al mien verdriet,
230  mar een protte hulpen het et niet.
     Ik raek al mien verstaand nog kwiet
     as ik langer blief in dit habijt!"
     Ze trok heur pij uut en legde die daor
     op et Oonze Lieve Vrouwe-altaar.
235  Ze het heur sandalen uutstruupt
     en heur, hoe dit now deur zal gaon:
     De sleutels van de sacristie
     hong ze vlak bi'j Maria, die
     daor ston, vlak tegenover heur.
240  Ze hong die zwaore sleutels daor
     zodat die in et oge zollen springen
     as de getijden weer anvingen.
     Want alleman is wel zo goed
     dat hi'j Maria even groet,
245  alleman kikt heur toch an,
     zegt "ave", veur weer deur te gaon.
     Dat leek de non een wis ding,
     zodat ze daor de sleutels hong.
     Daor gong ze dan in al heur leed,
250  alliend mar in een onderjurk klieded,
     is naor een deurtien toelopen
     en dee et veurzichtig eupen
     en ongemurken gong ze daoruut,
     stillegies, zonder geluud.
255  Vol van aangst kwam ze onder de bomen
     en de jongeling zag heur kommen
     en hi'j zee "lieveling, schrik mar niet,
     et is je vrund, die je hier ziet."
     Doe die twie daor saemenkwammen,
260  doe begon zi'j heur te schaemen,
     want ze ston in heur ondergoed,
     mit niks op 't heufd of an de voeten.
     Hi'j zee: "maegien van mien verlangsten,
     ik zal je lichem gaon behangen
265  mit mooie sjalen en mooie kleraosie,
     ie hoeven je niet lange meer te schaemen,
     want alles ligt al veur je klaor."
     Doe gongen zi'j onder de rozelaar
     en daor weren kleren genoeg,
270  vule meer as waor ze iens omme vreug.
     Van alles gaf hi'j heur twie peer;
     de blauwe kleren nam ze daor,
     fien van snit en goed van pas.
     en zo vrundelik as hi'j was…
275  Hi'j lachte: "lief, dit hemelsblauw
     staot beter as dat kloostergrauw."
     Twie hozen trok ze an,
     twie Cordoba-schoenen, welgedaon,
     die heur zovule beter stonnen
280  as die sandalen, mit linten bunnen.
     Hi'j wol heur ok bliede-vulen
     mit sluiers van witte kaante,
     die zi'j over heur heufd hennehong.
     Now tuutte heur de jongeling
285  vrundelik op heur mond.
     Et leek him, doe zi'j veur him ston,
     as de zunne al was gaon straolen.
     Vlogge is hi'j zien peerd gaon haelen
     en het heur veur him in et zadel zet
290  en ze reden, deur gien meenske belet
     an ien stok deur tot et gong daegen
     en ze gien aachtervolgers zaggen.
     Doe et al locht wodde in et oosten,
     zee ze: "god, die de wereld kan troosten…
295  laot Jow zegen op oons daelen.
     Ik zie de eerste zunnestraolen:
     was ik et klooster nog niet uut,
     ik hadde de morgenklok luded,
     was as eerste in et koor kommen
300  in dat klooster mit zovule vromen.
     Mien reize zal mi'j altemet berouwen,
     de wereld is zo min te vertrouwen
     en ik krieg mien pat daorvan.
     De wereld liekt een handelsman
305  die weerdeloze kermisdingen
     an de man brengt as goolden ringen."
     "hemels mooi maegien, zo moej' niet praoten.
     as ik jow iens zol verlaoten,
     dan mag God mi'j kwellen.
310  Ik zal je altied vergezellen,
     in veurspoed en grote nood,
     niks kan oons scheiden as de dood.
     Waoromme twiefel ie an mi'j?
     Kwaode trouw was d'r gienertied bi'j
315  en op jow wa'k nog gienertied lelk.
     Sund ik jow as de liefste keus,
     leut ik alderdeegst gien keizerinnen
     meer in mien gedaachten binnen.
     Wol d'r zoe'niene mit mi'j leven,
320  'k zol an jow de veurkeur geven.
     Oons kan weinig overkommen,
     ponden he'k mitneumen,
     geld genoeg veur een peleis.
     Wees een dame, tot iedere pries.
325  Al gao'we naor Peries of Goelen,
     ik zal gien geld hoeven te lienen
     nog in gien zeuven jaoren."
     Ze zaggen opiens waor ze weren:
     an de zeum van een prachtig bos.
330  De voegels zongen d'r lustig op los,
     zodat ie heur verliefd chanson
     veer in de omtrek heuren konnen.
     Ieder zong zoas et him moch gebeuren.
     En bloemen in heur foeleinige kleuren
335  weren op et grune veld eupengaon,
     zo mooi, en die zo lekker reuken.
     Onder de heldere, wonderschone
     hemel stonnen een protte mooie bomen,
     allemaole riek vuld mit blaeder.
340  Now gong de jonge wat verklaoren
     dat hi'j al hiel lange in him dreug.
     "liefste," zee hi'j, "'tis hier mooi genoeg
     om wat te dwaelen en bloemen te plokken
     en de dingen te doen die et hatte verrukken:
345  et is hier geschikt veur et minnespel."
     "boerepummel," zee zi'j, "wat daenk ie wel!
     Moe'k vri'jen in et eupen veld,
     zoas vrouwluden et doen, veur geld
     mit heur ordinaire lijven?
350  Ik zol niet weten waor ik mos blieven
     van schaemte. Now weet ik, vent,
     dat ie een boerenhufter binnen.
     God zal je om dit veurstel haten
     en mit zoe'niene hebbe ík mi'j inlaoten.
355  Now ja, as ie et mar niet zullen herhaelen.
     Heur! De voegelties in de daelen,
     heur ze zingen en hoe ze kwelen,
     dan hoef ie je niet te vervelen.
     As ik bi'j je bin en naekend
360  op een bedde, goed opmaekt,
     doe dan al wat je goeddonkt,
     alles waor je hatte om vragt,
     mar ie maeken mi'j withiete van binnen
     deur d'r hier over te beginnen."
365  Hi'j zee: "liefste, wees niet meer kwaod.
     Ik luusterde naor Venus zien raod.
     God geve mi'j schaande en plaogen
     as ik d'r iens weer van zal gewagen."
     Ze zee: "ik vergeef et je dan.
370  Ie bin veur mi'j de ienigste man
     van al wie d'r op eerde wonen.
     Al leefde Absalom, de schone,
     en al zol hi'j mi'j verklaoren
     dat ik mit him duzend jaoren
375  in weelde en rust zol meugen leven,
     ik zol jow d'r niet veur geven.
     Lieverd, ik hebbe jow uutverkoren.
     Gienend die over mi'j zal heuren
     dat ik jow iens was vergeten.
380  Was ik in et hemelriek zeten
     en ie hier beneden,
     ik kwam naor jow mit rasse schreden.
     Oei… god, laot et ongewroken
     dat ik zo dwaes hebbe spreuken:
385  an de bliedschop in et hemelriek
     is hier gien inkelde bliedschop geliek.
     Daor is de minste zo volmaekt
     dat hi'j naor niks aanders haokt
     as zien gezichte naor God te keren.
390  Al et eerdse is ellende,
     et beste op eerde haelt et niet
     bi'j et minste dat et volk daor zicht.
     Wie dat begriepen, leven goed.
     Dat weet ik, ok now 'k dwaelen moet
395  en mi'j in zunden gao begeven,
     lieveling, deur mit jow te leven."
     Aldus verleupen heur gesprekken.
     Ze bin deur barg en dal gaon trekken
     en daor is zovule meer geschied,
400  dat zeg ik allemaole mar niet.
     Een lange reize was dat,
     doe kwammen ze bi'j een stad
     in iene van de mooiste daelen.
     Daor konnen zi'j heur hatte ophaelen:
405  een tal jaoren, en wel zeuven,
     hadden ze daor een luxe leven
     en begaon de liefde saemen
     zodat d'r twie kiender kwammen.
     Mar doe ze nao die zeuven jaoren
410  deur al heur geld henne weren,
     doe mossen ze van alles belienen
     en doe, aachter mekeer, verdwenen
     kleraosie, sieraoden en peerden:
     alles verkocht veur de halve weerde,
415  hiel heur welveert naor de maone.
     Ze hadden gien middels van bestaon:
     zi'j kon alderdeegst gien gaoren spinnen
     om de kost d'r mit te winnen.
     Daorbi'j: d'r kwammen de hieltied hogere priezen
420  veur bier en wien en alle eteri'je,
     veur al waj' drinken konnen of bieten.
     En doe kwammen de verwieten.
     Ze weren allebeide liever dood
     as te gaon bedelen om brood.
425  De aarmoede speerde heur liefde niet
     al dee et heur beiden een protte verdriet.
     De man breuk al zien dure eden
     en leut heur in de narigheden,
     is naor zien eigen laand getogen
430  en was veur altied uut heur ogen.
     Zi'j mos et mit heur wondermooie
     twie kiender mar zien te rooien.
     Ze zee: "et is krek gaon
     as ik al bange veur was van et begin of an.
435  Ik bin now in alle staoten,
     want diegene het mi'j verlaoten
     op wie ik mi'j altied verleut.
     Maria, Vrouwe, vergeet mi'j niet,
     bidde veur oons drienend, hemelse bosschopper,
440  dat de honger oons niet kan ommekommen lat.
     Now mien bestaon in dugen vul,
     moet ik mien lichem en mien ziel
     bevlekken mit zundige daoden.
     Maria, Vrouwe, hebbe genaode.
445  Ok al kon ik gaoren spinnen,
     wat zol ik d'r mit winnen?
     In twie weken een half brood.
     Ik moet, dwongen deur de nood,
     buten de stad, in 't eupen veld
450  mien lichem verkopen veur geld
     om eten te kunnen kriegen,
     want ik moet toch mien eigen
     kiender eten geven?"
     Zo gong zi'j in een zundig leven,
455  want et volk vertelt, en et is waor,
     dat ze gedurende zeuven jaor
     as peblieke vrouw in et leven gong
     en menige zunde kreeg
     deur an wildvremde luden
460  heur lichem an te bieden.
     Ze vun d'r gien genoegen in,
     ze dee et veur een schaemel gewin,
     waormit zi'j heur kiender te eten gaf.
     Ik zie d'r van of
465  heur zunden te beschrieven, onnumelik zwaor,
     waor zi'j in leefde, veertien jaor.
     Mar iene ding vergat ze niet
     in al heur ellende en verdriet:
     zi'j biddede alle daegen in vol vertrouwen
470  de zeuven getijden van Oonze Lieve Vrouwe.
     Dat dee ze om Maria te eren:
     die kon heur weeromme doen keren
     uut de zundige daoden
     waormit ze was belaeden
475  al een volle veertien jaor
     en dat is mar al te waor.
     Zeuven jaor was ze mit een man,
     daor kwammen twie kiender van,
     hi'j leut heur in de ellende,
480  zodat zi'j niks as zorgen kende.
     De ankem zeuven hebben jow ok heurd,
     mar hoe zette zi'j heur leven vot?
     De veertien jaoren weren veurbi'j.
     Doe gaf God heur berouw, zodat zi'j
485  heur schuldig vuulde en zo bezwaord
     dat ze liever mit een scharp zweerd
     heur heufd d'r of had laoten houwen
     dan dat ze meer zunden had begaon,
     heur lichem nog langer had bevuild.
490  Dag en naacht het zi'j zo goeld
     dat heur ogen mar zelden dreugden.
     Ze zee: "Maria, die God zoogde,
     bron van genaode boven alle vrouwluden,
     laot mi'j niet nog langer rouwen.
495  Vrouwe, Jow hebben ondervunnen
     dat ik spiet hebbe van mien zunden
     en Jow weten, ze doen mi'j zeer.
     D'r weren d'r zovule, ik weet niet meer
     waor ik ze dee en mit wie allemaole.
500  Jammer! Ze wodden mi'j fataal,
     want now God mi'j uut et oge het verleuren,
     op de dag dat de zunden blieken
     van de aarmen liekegoed as van de rieken:
505  as alle misdaoden wodden wreuken
     die niet in een biecht wodden bespreuken
     en waorveur gien boete is daon.
     Daor is gien inkelde twiefel an
     en daorveur bin ik bange al mien daegen.
510  Al zo'k een haoren klied gaon dregen
     en d'r in gaon kroepen, om te boeten,
     van laand naor laand, op hanen en voeten,
     op blote voeten, zonder kouse of schoe,
     et zol niet zovule goed kunnen doen
515  dat mien schuld mi'j dan verleut.
     Maria, waoromme troosten Jow mi'j niet?
     Bron van genaode, boven alles verheven,
     die alle meensken hope kan geven:
     Theophilus is d'r een veurbeeld van.
520  Gien groter zundig persoon as die man,
     die liekegoed zien ziel as zien leven
     an de duvel in lien hadde geven
     en alles dee wat de duvel wol
     en toch deur Jow verlost wodde, o, Vrouw.
525  Al gong ik ok deur alles henne
     en wodde ik minacht deur alleman,
     wat veur een leven ik ok hadde,
     Vrouwe, Jow weten et toch, ik biddede
     veur Jow de hieltied weer mien gebeden.
530  Veracht mi'j niet om mien verleden,
     want hoe meer mi'j dat zal bedroeven,
     des te meer zal ik Jow hulpe hoeven.
     Ik vertrouw toch mit reden:
     gieniene het ommenocht gebeden
535  van wie d'r daegeliks beden
     "Ave Maria, vol van genaode."
     Wie Jow heur gebed doen heuren,
     zi'j weten al van teveuren
     dat d'r troost komt en medelieden:
540  Jow kriegen oons in Jow aarms,
     God zien uutverkoren bruid!
     Jow Zeune stuurde toch een bosschopper uut,
     in Nazareth het hi'j Jow vunnen,
     mit een bericht, gienertied ere verzunnen,
545  en nog gienertied van een bosschopper heurd:
     dat Jow neffens dit heilig woord
     zegend onder de vrouwluden binnen.
     Daordeur bin Jow nog de hieltied bliede,
     en praot iene Jow dan ok zo an,
550  al leidet hi'j nog zoe'n zundig bestaon,
     Jow maeken him gien verwieten
     en zullen bi'j Jow Zeune veur him pleiten."
     Zo biddede et zundig vrommes alle daegen,
     zo bleef ze alsmar smeken en klaegen.
555  Ze nam een kiend an iedere haand
     en zo trok ze deur et hiele laand,
     bedelend as et volk wat wol geven,
     want ze mos van de aolmoezen leven.
     Zi'j doolde krek zo lange de wereld rond
560  tot ze bi'j toeval et klooster vun
     waor ze verbleven had as non.
     Ze is nao et laeste locht van de zunne
     bi'j et huus van een wedevrouw ankommen
     waor ze vreug om een onderkommen
565  omreden ze now niet veerder kon reizen.
     "ik kan jow echt de deure niet wiezen,"
     zee de wedevrouw, "met die twie schaopen,
     die bi'jkaans al lopen te slaopen.
     Rust daor mar even,
570  jow pat zal ik jow geven
     van wat God mi'j wol geven
     om Zien Moeke te gedaenken."
     Mit heur kiender moch zi'j daor eten
     en now zol ze hiel graeg weten
575  hoe in et klooster de zaeken stonnen.
     "beste vrouw," vreug ze onomwunnen,
     "is dat daor et klooster van de edelvrouwen?"
     "ja," zee die, "daor kunn jow op vertrouwen
     en jow zullen nargens een klooster betreden
580  mit zovule anzien en kostberheden.
     De nonnen die d'r habijten dregen,
     jow kun et bi'j iederiene nao gaon vraogen,
     die bin zo rein en vol goeie warken,
     daor is niet dát op an te marken."
585  En zi'j die bi'j heur kiender zat,
     ze zee: "waoromme zeggen jow dat?
     Ik heurde nog gien weke leden
     over bepaolde narigheden,
     et weren hiele vremde zaeken
590  en et had mit de kosteres te maeken.
     Iene bezweerde mi'j as echt waor
     dat die hier veur veertien jaor
     zomar uut et klooster verdween
     en dat gieniene wet waorhenne
595  en in wat laand zi'j overleed."
     Doe wodde de wedevrouw withiete
     en zee: "jow zitten uut jow nekke te praoten!
     Ik zol et now mar laoten
     om jow zo over heur te uteren,
600  of jow staon sebiet weer buten!
     In de veertien jaor dat zi'j
     kosteres was in de abdij,
     het et volk heur, zo ieverig is zi'j,
     nog gien ure hoeven te missen
605  - as zi'j was dus ongesteld -
     zodat wie kwaod van heur vertelt,
     him wel hiel diepe schaemen moet.
     Zi'j is zo zuver van gemoed
     as alle nonnen weensken mochten.
610  As zi'j in alle kloosters zochten
     tussen de Elbe en de Gironde,
     daenke dan mar niet dat ze iene vunnen
     die et in vroomhied bi'j heur haelt."
     Zi'j, die zo lange hadde dwaeld,
615  vuulde een wonder in disse woorden
     en ze zee: "as ik now es heurde
     hoe heur va en moeke hieten."
     Doe de vrouw heur dat leut weten,
     wus ze dat die heur bedoelde.
620  Ach, God, hoe ze heur die naachs vuulde,
     goelend op de bedderaand.
     "niks," zee ze, "he'k as paand
     as alliend mien diep berouw.
     Help mi'j dan, Maria, Vrouw!
625  mien zunden doen mi'j wel zoe'n piene,
     as d'r een hiete ovend zol wezen,
     die zo verschrikkelik gloeide
     dat de vlammen d'r uutsproeiden,
     ik zol d'r zo naor binnenlopen
630  as dat mien zunden vri'j kon kopen.
     Heer, Jow vienen wanhoop uut et lelke,
     daorom bin ik gien raodeloze.
     Hoop op genaode he'k de hieltied,
     al raek ik ok de schrik niet kwiet,
635  al leef ik ok in aangst en beven.
     Gienertied kon d'r zoe'n groot zundig meenske leven,
     sund Jow op eerde kwammen
     en de vorm van een meenske annammen
     en an et kruus wol bezwieken,
640  of Jow kwammen him de haand wel rieken
     as him zien zunden echt berouwden:
     ja, hi'j was asnog beholen.
     Dit dielt et evangelie oons mit
     over die zundige meenske van de twieje,
645  die an Jow rechterhaand hong.
     Et is oons tot troost en leniging
     dat Jow zien ziel wol beholen
     zogauw zien zunden him berouwden.
     Ik vertrouw hierop, mit reden,
650  want Jow zeden: "Vrund, ie zullen now
     mit mi'j mien keuninkriek in gaon,
     dat geef ik je te verstaon."
     Ok Heer, maekten Jow eupenbaor
     dat Gisemans de moordener
655  op et alderlaest om genaode biddede.
     Gien goold gaf hi'j en ok gien schat
     aanders as zien berouw van zunden.
     Jow genaode is niet te begriepen,
     krek zo min as de meensken iens iene zag
660  die de zee leegschepte in iene dag,
     tot op de alderdiepste gronden.
     D'r was dus gienertied zoe'n grote zunde
     of Jow genaode gong die te boven.
     Dus ok veur mi'j, zo wil ik geleuven,
665  gelt Jow greenzeloze baarmhattighied,
     want ik hebbe grote, grote spiet."
     Midden in dit gebed
     kwam een slaop over al heur leden
     en doe is in heur dromen
670  et visioen kommen
     dat een heldere stemme heur reup
     waor zi'j lag en sleup:
     "vrouw, ie hebben zo lange karmd
     dat Maria heur het ontfarmd
675  over jow en genaode het ofbeden.
     Ie moe'n now et klooster weer betreden.
     Ie vienen de deuren wied eupen
     waor ie iens binnen uutlopen
     mit de man die jow liefde beud,
680  mar je in de steek leut in de nood.
     Je habijt mit alles d'r op en d'r an
     moej' op et alter zuken gaon.
     Struup pij en sandalen an, doe drekt
     ok de sluier weer om je henne.
685  Bedaanke now Maria mar.
     De sleutels van de sacristie bin daor
     waor ie ze veur et beeld ophongen,
     die naachs daj' uut et klooster gongen.
     Maria kon ze zo beweren
690  dat de meensken jow die veertien jaoren
     alderdeegst gien ogenblikje misten,
     niks van je verdwiening wussen.
     Maria hoolt je zo te vrund
     dat zi'j de hieltied veur je het diend
695  in jow gedaonte en jow kleraosie.
     Zi'j, die de hemel mag regeren,
     het dat, zundig vrommes, veur jow daon.
     Ie moe'n weer naor et klooster gaon,
     waor gieniene je bedde het inneumen.
700  Dit bericht is van God kommen."
     Doe hi'j dit dudelik hadde maekt,
     is ze vot-en-daolik ontwaekt
     en zee: "God, die de wereld bouwde,
     Jow moe'n de duvel now weerholen
705  van et brengen van meer droefenis
     as d'r al is.
     Wat zollen ze in et klooster zeggen?
     as ze mi'j vongen as dievegge,
     kwam ik in nog vule meer verdriet
710  as doe ik de abdij verleut.
     Ik smeek Jow, Heer, zo wies en goed,
     bi'j et kostelike bloed
     dat an et kruus Jow ziede uutleup,
     laot de stemme die mi'j reup
715  - as die warkelik is kommen
     tot mien veurdiel - toch niet schromen
     him nog es te eupenbaoren,
     ja, laot die drie keer verklaoren
     dat ik echt van now of an
720  naor et klooster weeromme mag gaon.
     Dan zegen ik Jow daorboven
     en zal Maria de hieltied loven."
     En de aandernacht... now luuster...
     Kwam d'r een stemme uut et duuster
725  Die heur disse bosschop brocht:
     "vrouw, now niet te lange waacht!
     Gao drekt weer in je klooster,
     dan is God van now of an je trooster.
     Doe wat Maria je zegt:
730  ik bin heur bosschopper, twiefel niet!"
     Doe ze de stemme, tot heur kommen,
     de twiede keer hadde verneumen
     mit et bevel om in et klooster te gaon,
     doe duste ze et nog niet an.
735  De dadde naacht docht ze bi'j heurzels:
     "misschien het een kwaoie elf
     een grap mit mi'j uut willen haelen.
     'k Zal mit liekese munt betaelen
     an de duvel mit al zien kracht.
740  As hi'j hier komt, vannaacht,
     Heer, laot him dan de kluts kwietraeken
     en him uut de voeten maeken
     eer hi'j mi'j nog meer schae dot.
     Moeke Maria, wees zo goed
745  en laot mi'j weer de stemme verstaon
     die zegt dat ik in et klooster moet gaon.
     Om et kiend dat Jow hebben dreugen,
     Vrouwe, wil ik Jow dit vraogen."
     Zi'j bleef wakker, die dadde naacht.
750  Een stemme mit goddelike kracht
     en deur een schittering omgeven,
     zee: "zo kun ie niet veerder leven.
     Wat Maria jow deur mi'j zegt,
     waoromme doe ie dat toch niet?
755  Vrouw, ie waachten al vusen te lange.
     Gao in et klooster, wees niet bange,
     ie zien daor de deuren wied eupenstaon
     en waor ie gaon willen, maj' gaon.
     Je habijt vien ie daore,
760  want et ligt op et alter."
     Dit zee de stemme mit een protte gezag
     en doe wodde et zundig vrommes dat daor lag
     deur de glaans bi'jkaans verbliend
     En zee: "wat ik hier beviene,
765  is warkelik deur God stuurd
     en deur Maria in odder bevunnen.
     Dit is gien leugen, dit is waor,
     ik beseffe et zunneklaor.
     Now he'k mi'j veurneumen
770  om in et klooster weeromme te kommen.
     Ik zal op de troost vertrouwen
     van heur, van Oonze Lieve Vrouwe,
     en mien kiender zullen beiden
     leven onder God zien geleide,
775  zodat et goed mit heur zal gaon."
     Doe het ze heur kleraosie uutstruupt
     om heur kiender daormit toe te dekken,
     zachies, om ze niet wakker te wekken.
     Ze tuutte heur allebeide op de mond
780  en zee: "mien kiender, blief gezond.
     in de troost van Oonze Lieve Vrouwe
     laot ik jim aachter, in goed vertrouwen.
     'k Hadde zonder Maria as advekaote
     jim hier niet aachterlaoten,
785  niet veur alle schatten van Rome."
     Heur, wat heur veerder is overkommen.
     In traonen het de kienderloze
     de kotste weg naor et klooster keuzen.
     Ze is deur de appelhof henne lopen
790  en vun daor een ziedpoortien eupen.
     Daor leup ze dan, hiel hadde.
     "Maria, daank Jow wel.
     Now bin ik binnen de muren,
     geef mi'j gien ni'j verdriet te verneren."
795  Waor zi'j kwam hennelopen,
     ston de deure wiedwaegen veur heur eupen.
     Ze is in de karke gaon
     en praotte zachies tegen God an:
     "lieve Heer, dit wi'k vraogen:
800  help mi'j et habijt weer te dregen
     dat ik daelelegde, veur veertien jaor,
     op et Oonze Lieve Vrouwe-alter,
     de naacht da'k de abdij verleut."
     Wat ik now zegge, lieg ik niet,
805  al kan 'k et niet verklaoren:
     sluier, pij en sandalen weren
     daor niet anraekt bleven
     sund ze votgong uut dat leven.
     Vlogge gong zi'j heur daorin klieden
810  en doe het ze dit bidden:
     "goeie God, en Maria, zo rein,
     wel zegend moe'n Jow wezen.
     Jow, de bloeme van alle deugden,
     die in maegdelike vreugden
815  kreeg, zonder wee of piene,
     wie veur altied Heer zal wezen.
     Ongemeten is Jow weerde,
     Jow kiend maekte hemel en eerde.
     God het Jow et gezag geven
820  dat wi'j dienen, hiel oons leven.
     Oonze Heer, oons aller breur,
     Him geheurzaemen Jow as moeke
     én meugen Jow Zien dochter hieten,
     tot grote troost veur wie dat weten.
825  De meensken kan Jow om genaode vraogen
     tot in de alderlaeste daegen.
     Jow hulpe is allemachtig groot.
     Ik hadde verdriet en was in nood,
     mar Jow hebben et zo ommekeerd
830  da'k bliede wodde van wat mi'j het bezeerd.
     Jow te dienen is mien verlangst."
     En doe zag zi'j de sleutels hangen
     van de sacristie, waor ze die hong
     veur ze de abdij verlaoten gong.
835  Ze het de sleutels mitneumen
     en ze is bi'j et koor kommen,
     waor ze laampen branen zag in alle hoeken.
     Daornao leup ze rond mit de boeken
     tot ze allemaole op heur plakkien laggen,
840  zoas ze et dee in eertieds daegen.
     Tot Maria het ze bidded
     om hulpe uut de narigheden,
     om die twieje, die ze aachterleut
     in et huus van de wedevrouw, in groot verdriet.
845  Van disse dag weren de uren daon:
     et kleine uurwerk begon te slaon,
     etgeen de middernaacht bedudede.
     Ze nam et klokketouw en ludede
     de mettentied zo diepbeweugen
850  dat alle nonnen heur bedde uutvleugen,
     die boven in de slaopzael laggen,
     liekegoed de vloggen as de traogen.
     En zonder dat ientien had kunnen heuren
     dat een aander heur wekte as daegs teveuren.
855  Ze bleef in et klooster, de rest van heur tied.
     D'r was gien teuteri'je, gien inkeld verwiet.
     Maria was in heur plak kommen warken
     en gieniene had et verschil kunnen marken.
     Zo was et zundig vrommes bekeerd
860  daank zi'j Maria, die ieder vereert,
     die de hemel mag regeren
     en die zonder mankeren
     heur vrunden wet te berieken
     as die onder zorgen bezwieken.
865  De vrouw van wie jow et verhael mochten heuren,
     is weer kloosterzuster as teveuren.
     Mar vergeten we now ok niet:
     de kiender die ze aachterleut
     in et huus van de wedevrouw, in grote nood,
870  want daor was gien geld en ok gien brood.
     Ik zol jim liever mar besperen
     hoe diepe bedroefd as zi'j weren
     zo zonder moeke, en hoe schrokken.
     De wedevrouw het ze op schoot trokken,
875  zi'j hadde verschrikkelik medelieden.
     Ze overeidede: ik gao mit die beiden
     mi'j naor de abdij toe begeven,
     waor God de abdis wel in zal geven
     dat zi'j heur bi'j moet staon.
880  Ze dee heur de kleraosie en schoenen an
     en gong mit heur naor de abdij.
     Ze toonde ze an de abdis en zee:
     "zie de nood van disse twie wezen:
     de moeke leut ze in aangst en vrezen
885  in mien huisien aachter, naachs,
     en verdween doe onverwaachs,
     naor weet ik waor in west of oost.
     Ze leut de kiender zonder troost.
     Ik hulp ze graeg, a'k wus hoe."
890  De abdis zee heur toe:
     "laot ze bi'j jow blieven wonen,
     ik zal jow daorveur belonen,
     daorveur hoeven jow niet te vrezen,
     want oons pottien veur de wezen
895  kan beslist nog wel wat verneren.
     Jow moe'n daegs een bosschopper sturen
     die drinken veur heur haelt en eten.
     Ontbrekt heur wat, laot mi'j dat weten."
     De wedevrouw was bliede
900  mit wat de abdis heur zee.
     Ze het de kiender weer mitneumen,
     dus die bin goed terechtekommen.
     De moeke, die heur iens moch zogen,
     en pienen om heur mos gedogen,
905  veur heur was 't een oplochting
     dat et heur zovule beter gong,
     die twieje, die ze zovule verdriet
     bezorgde, doe ze heur verleut.
     Dat et goed gong mit die kiender,
910  dee heur zorgen aorig verminderen.
     Ze leidde van now of an een vroom leven,
     mit nog hiel wat zochten en beven,
     liekegoed naachs as overdag
     as ze heur leven overzag
915  en berouw hadde van heur zunden,
     die gieniene kon begriepen,
     die veur de wereld verburgen bleven
     en die ze niet het opschreven.
     Hiernao kwam d'r op een dag
920  een abt, die et volk daor vaeker zag:
     hi'j inspekteerde alle jaoren
     et klooster, of daor dingen weren
     die niet deur de beugel konnen.
     Iens in 't jaor dee hi'j zien ronde.
925  De dag dat de abt in et klooster zat,
     lag et zundig vrommes in et koor en biddede
     heur gebed in de stilte daor.
     Twiefels overvullen heur:
     de duvel had heur schaemte geven
930  om te maeken dat zi'j heur leven
     niet an de abt zol eupenbaoren.
     Doe ze daor zo lag te steren,
     zag ze een jongkerel die daor schreed,
     hielendal in et wit in de kleren.
935  Op zien aarm dreug hi'j een bloot
     klein kiend, et leek heur al dood.
     De jongkerel gooide een peer keer
     een appel op en vong him weer
     om et kientien te vermaeken.
940  Dit mos heur in et hatte wel raeken,
     die daor zo hiel stillegies biddede.
     "vrund," zee ze, "wat betekent dat?
     As jow stuurd binnen van God,
     dan vraog ik jow bi'j Zien gebod
945  dat jow mi'j de reden leren
     waoromme jow et kientien amuseren
     mit die appel, zo mooi rood
     et kiend op jow aarm is toch dood?
     Hi'j vernemt niet wat jow veur him doen."
950  "wisse, non, dat zie ie goed.
     De bliedschop van et speulen
     kan 'k mit dit kiend niet meer patten,
     et is dood en heurt noch zicht.
     En krek zo ... wet God ok niet
955  dat ie gebeden zeggen en vaasten.
     Et helpt je echt gien bast,
     et kan je gien goeds bereiden,
     krek zo min as daj' jezels kastijden.
     Ie leveen nog zo in zunden vot
960  dat God je gebeden niet heurt,
     daor waor hi'j is zeten.
     Daoromme moej' dit weten:
     schiet op, non, en benaoder
     de abt. Hi'j is een vader,
965  biecht je zunden zonder te liegen,
     laot de duvel je niet bedriegen.
     Al waj' de abt kommen melden,
     kan hi'j je kwiet doen schellen,
     mar waoj' niet van willen praoten,
970  dat zal God vreselik op je wreken!"
     De jongkerel hoefde niet méér te betogen
     en gong veur altied uut heur ogen,
     mar et was goed: ze begreep him toch?
     En diezelde morgen nog
975  is ze bi'j de abt kommen
     zodat heur de biecht wodde ofneumen.
     Hi'j was wies en welgezind
     en hi'j zee: "mien lieve kiend,
     dat weiger ik netuurlik niet.
980  As ie je zunden overzien
     en overdenken, za'k ze heuren."
     Naor waor gieniene heur kon storen
     hebben zi'j heur doe begeven
     en zi'j vertelde him hiel heur leven,
985  alles wat heur was overkommen:
     hoe heur verstaand heur was ontneumen
     deur liefde, dat ze in dwaeze grillen
     niks aanders hadde te willen
     as et habijt toe te vertrouwen
990  an et alter van Oonze Lieve Vrouwe
     om vot te gaon mit een man.
     Daor kwammen twie kiender van.
     Van alles wat heur was gebeurd,
     verzweeg ze alderdeegst et slimste niet.
995  Alles wat heur hadde verward,
     biechtte zi'j uut de grond van heur hatte.
     En de abt, die dat daor heurde,
     die vrome vader zee de woorden:
     "dochter, ik zal je absolveren,
1000 van de zunden die je deren,
     die je piene doen, sund lange tied.
     God zien moeke is gebenedijd
     en boven alles leufd."
     Hi'j legde een haand op heur heufd,
1005 waormit de zunde van heur week.
     Hi'j zee: "ik zal in een preek
     de meensken van je biecht berichten,
     mar ik zal et zo verdichten
     dat gieniene op et idee zal kommen
1010 dat et jow en je kiender is overkommen:
     gieniene zal een vermoeden kriegen.
     Et zol niet goed wezen om dit te verzwiegen,
     dit mooie wonder, dat de Here
     voltrok om Zien moeke te eren.
1015 Ik zal et uutdregen, rondomme,
     want deur dit verhael toch zal
     mennig zundig persoon him bekeren
     en Oonze Lieve Vrouwe eren."
     Hi'j gong et klooster onderwiezen,
1020 eer hi'j weer naor huus mos reizen,
     wat d'r mit een non was gebeurd.
     Wie ze was, daor bin ze niet
     in de veerste veerte aachterkommen.
     De abt het ofscheid neumen
1025 en hi'j nam de non heur beide
     kiender onder zien geleide.
     Hi'j gaf ze beiden een grauwe pij
     en vrome manluden wodden zi'j.
     Heur moeke hiette Beatrijs.
1030 An God alle lof en pries
     en an Maria, die Him zoogde
     en die mit dit wonder beoogde
     te tonen dat zi'j helpt in de nood.
     Lao'we bidden, klein en groot
1035 an wie dit wonder is veurdreugen:
     dat et Maria mag behaegen
     oonze veurspraoke te wezen in et zute dal
     waor God de wereld oordielen zal.

 Amen.

***

Home
Naar boven


Helemaal links onze man in het vertaalforum: Piet Bult, met naast hem Klaas Bruinsma


Internationaal en interdisciplinair congres

Beatrijs de wereld in.
Vertalingen en bewerkingen van het Middelnederlandse verhaal

Koninklijke Bibliotheek Den Haag, 28, 29 en 30 september 2011

Congresmededeling  (14 november 2011)

Beste collega’s,

We zien met veel plezier terug op uw deelname aan het congres Beatrijs de wereld in. In totaal waren er bijna honderd deelnemers uit twaalf landen, terwijl er in zeventien talen Beatrijs-vertalingen en -bewerkingen gepresenteerd en besproken zijn. Mocht u naar aanleiding van het congres contact willen zoeken met andere congresgangers, dan vindt u hun e-mail-adressen op de bijgesloten, definitieve deelnemerslijst.

Veel dank aan degenen die ons congresfoto’s hebben toegestuurd. Met de hulp van onze congresassistentes Eszter en Eszter hebben we ze opgenomen in een digitaal foto-album. Gelijktijdig met deze mededeling krijgt u per mail een elektronische uitnodiging om het album te kunnen bekijken. Wie nog nieuwe foto’s wil toevoegen kan ze rechtstreeks opladen of ze verzenden naar het congresadres beatrijsdewereldin@gmail.com. In dat geval zorgen wij voor opname.

Wij zijn blij te kunnen aankondigen dat er een bundel zal verschijnen met een selectie van de lezingen. Deze zal gepubliceerd worden als deel 6 van de reeks Lage Landen Studies (LLS) van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN) in het Ginkgo-fonds van Academia Press te Gent, onder de redactie van ondergetekenden. Daarover krijgt u te zijner tijd weer bericht.

Met vriendelijke groet,
De organisatoren
Ton van Kalmthout, Orsi Réthelyi en Remco Sleiderink


Home
Naar boven


© Piet Bult, maart 2011