Voorwoord
Het
verhaal wat hier voor U ligt, beste lezer, is een levensecht verhaal
wat ontstaan is tijdens de vele fietstochten, welke de schrijver
heeft gemaakt. Om het verhaal niet alleen voor mezelf te
houden, probeer ik het ook op papier te verwoorden. Excuus voor mijn
eenvoudig taalgebruik. Ik ben een fietser, geen schrijver. Toch hoop
ik u te kunnen boeien met mijn verhaal. Alle mensen of situaties in
het verhaal berusten op toeval en zijn in de fantasie van de schrijver
ontstaan.
Ik hoop U een paar uur genoeglijk leesplezier te kunnen
bezorgen.
Tjibbe
Nieuwland
Met dank aan mijn dochter Marijke voor de computer bewerking.
Hoofdstuk
1
'Potverdorie
jongen, grote klootzak, zit niet te dromen.' Hij gaf een flinke ruk
aan het stuurwiel en omdat hij volle kracht voer reageerde de boot
direct en schoot naar rechts. In een flits zag hij de scherpe boeg
van een groot schip op nog geen meter aan zich voorbij gaan. Heftig
slingerde de boot door de boeggolf van het schip. De schipper had
schijnbaar niets gemerkt van de bijna aanvaring met de boot. Dat was
ook geen wonder want de kop van zo'n leeg schip ligt zo hoog dat je
vanuit de stuurhut op zo'n 40 á 50 meter pas in het water kunt
kijken. Hij ging er natuurlijk vanuit dat zo'n pleziervaarder wel uit
zou wijken, maar dan moet die wel de kop erbij hebben en niet zitten
te mijmeren over zijn leven zoals Gerrit deed. De boot lag al in het
riet voor hij goed en wel van de schrik was bekomen. Hij legde een
touw om een boompje aan de oever en besloot eerst maar een kop koffie
te maken en een broodje te smeren.
Tjonge, dat was op het nippertje. Bijna had hij op de bodem van het kanaal gelegen. En om nou hier, tussen Kalenberg en Steenwijk, te verzuipen, dat leek hem toch niet het einde. Hij moest alweer lachen om de woordspeling (het einde). Hoe het kwam dat Gerrit de kop er niet bij had, was de gedachte aan het verleden. Hij had zijn leven nog eens de revue laten passeren.
Zes en zestig jaar geleden was hij in Harlingen geboren, al wist hij daar niet zoveel meer van. Zijn vader Jan Blok en Grietje Been (ja, daar waren al veel grappen over gemaakt) hadden hem dat later verteld (over die geboorte dan). Het was een strenge winter geweest. Zo streng dat er in maart nog een halve meter ijs in de kanalen lag. Jan was weken thuis geweest omdat er geen schepen konden varen, want Jan Blok had met schepen te maken. Hij was namelijk kraandrijver bij het havenbedrijf in Harlingen. En als er geen schepen voeren was er niks om over te slaan, zoals ze in de havens het lossen van schepen noemen.
Het was de enige geboorte geweest bij Jan en Griet want hoe ze het ook probeerden, Gerrit bleef alleen. Eigenlijk was dat ook niet zo erg want Jan had wel een vaste baan maar het loon was niet hoog. En op deze manier konden ze goed rondkomen en tevens de hypotheek op hun woning langzaam aflossen.
Gerrit had een onbezorgde jeugd gehad. Toen hij naar de lagere school ging was hij in al zijn vrije tijd op het haventerrein te vinden. Hij kende al de havenarbeiders en de schippers die er kwamen lossen of laden. Ook met de vrachtwagenchauffeurs kon hij goed opschieten en mocht hij soms wel eens een ritje mee. Zijn schoolvrienden waren nogal eens jaloers en lieten dat soms ook duidelijk merken. Er werd geregeld een robbertje geknokt en daardoor kwam hij van tijd tot tijd thuis met een buil of een blauwe plek. Vader Jan zei dan 'Ja jongen, dat hoort er allemaal bij. Laat je niet op je kop zitten en sla er ook maar op.' Hij ging er niet achteraan, de jongens moesten het zelf maar oplossen. En hij had gelijk. Gerrit werd er zelfstandig door en had er profijt van, maar het ging moeder Griet aan het hart als hij weer met een bult op zijn hoofd thuis kwam. Maar daar was ze ook moeder voor.
Na de lagere school ging Gerrit naar de ambachtsschool want hij wilde later ook op een kraan bij de haven. Dat leek hem zo machtig, daar hoog boven het terrein, in zo'n grote kraan achter die lange handels. Jan raadde zijn zoon dan ook aan op school goed zijn best te doen om alles aan de weet te komen over techniek en elektriciteit om later zo veel mogelijk diploma's te halen want papieren moest je hebben. Zelf had hij ze niet want hij was een praktijkman. Toch speet het hem nog wel eens niet meer geleerd te hebben. Maar dat was in zijn jeugd niet aan de orde. Er moest wat worden verdiend en daarom was hij vanaf de school direct bij de haven terecht gekomen om hard te werken in de schepen. In die tijd was er nog een hoop handwerk en dat wilde hij zijn zoon besparen. Hard werken is niet erg maar wordt vaak niet zo goed betaald.
Hoofdstuk 2
Zodra Gerrit 18 jaar was mocht hij een dag in de week bij de havendienst komen om werkervaring op te doen. Eerst als manusje van alles en na verloop van tijd mocht hij ook wel eens proberen met zo'n kraan te draaien. Niet in een schip maar op het terrein en dat viel hem nog niet mee. Het mocht ook niet bij zijn vader, maar bij oom Dirk, een broer van zijn moeder. Dit leek Jan beter anders was het te eigen. Hij vond zichzelf ook te ongeduldig om zijn zoon op te leiden. Oom Dirk was een rustige man en had alle geduld met de jongen.
Gerrit leerde snel en mocht al gauw eens een schip lossen. Eerst wat stukgoed en later met de grijper onder toezicht van Dirk. Toen hij 21 was had hij zijn diploma's en kwam hij in vaste dienst bij het havenbedrijf. Dat was toen nog gewoon, een vaste aanstelling. Trots als een pauw kwam hij met zijn eerste loonzakje thuis. Hij gaf zijn moeder een deel van het geld want hij had tot nu toe nog niets verdiend en zijn ouders hadden al heel wat voor hem betaald. Zij stribbelde wel wat tegen maar hij stond erop om wat kostgeld te betalen. Hij hield nog genoeg over om te sparen voor een brommer. Zijn kameraad werkte bij een fietsenzaak en die zou voor hem uitkijken naar een goede tweedehands.
De wereld werd hen te klein in Harlingen. Op de fiets naar Franeker, dat ging nog wel maar Leeuwarden of Den Helder, dat was andere koek. Ze moesten op jacht want de meisjes in hun eigen stad waren niet goed genoeg. Wat je van ver haalt is natuurlijk beter. Gerrit had al een paar keer een scharreltje gehad maar nog niet de ware gevonden. Net voor hij tweeëntwintig werd hoorde hij van zijn vriend dat ze in de zaak een mooie brommer hadden staan. De volgende dag ging hij erop af, en ja hoor, daar stond hij. Een Zündapp van nog geen 2 jaar oud. Goed onderhouden en voor een redelijke prijs. Maar toen hij zijn spaargeld telde kwam hij 75 gulden tekort. Zijn moeder zag direct dat er wat aan de hand was. Daar zijn moeders goed in en toen ze dan ook hoorde wat het probleem was ging ze met vader Jan in overleg en legde ze het geld erbij wat hij tekort kwam. Over een week was hij jarig en dit was dus zijn verjaardag cadeau.
Zo blij als een kind toog hij naar de fietsenzaak en haalde de Zündapp. Direct even een rondje door de polder. Fantastisch voelde het, hij zong het hoogste lied en de boeren keken hem met verbazing na. Daarna werd de wereld voor de jonge mannen een stuk groter. Tjonge, tjonge een zondagmiddag naar Leeuwarden of naar Den Helder. Alles kon en ze togen die zelfde zomer naar Egmond aan Zee met een tentje achterop. Wat een avontuur. Toch vond hij daar ook niet wat hij zocht. Toen er een feest was in Franeker raakte hij aan de praat met een mooi meisje die Gea heette. Ze was in zijn ogen het mooiste meisje wat hij ooit had gezien. Ze was wel voorzichtig en ging niet zomaar met de eerste de beste jongen mee. Maar Gerrit leek haar wel een aardige vent en ze spraken af dat hij de volgende zondag terug zou komen. De week daarop was Gea niet uit zijn gedachten en hij kon haast niet wachten tot die zondag. Op zijn paasbest reed hij naar Franeker en ja hoor, ze was daar waar ze hadden afgesproken. Het was voor het eerst dat Gea met een jongen mee ging. Haar moeder had haar gewaarschuwd dat ze goed uit moest kijken met zo'n vreemde vent en dat had ze beloofd.
Waar ze die middag waren geweest, wist Gerrit niet meer toen hij 's avonds naar huis reed, maar hij wist wel dat hij verliefd was. Smoorverliefd zelfs en dat was wederzijds want Gea kon er niet van slapen. Gerrit was wel een beetje geschrokken toen hij hoorde dat Gea de dochter was van slager Van der Velde. Zij van goede komaf en hij een jongen van een eenvoudige kraandrijver. En voor dat werk had hij ook gekozen. Maar Gea maakte daar geen punt van. Ze zei 'Denk je dat wij rijk zijn? Ja, als alle klanten nou direct zouden betalen wat ze nog schuldig zijn dan hadden mijn ouders minder zorgen en meer geld. Dan kon ik wat meer verdienen.' Want Gea werkte thuis in de winkel en wist dus heel goed dat er nogal wat klanten in het boek stonden. En je moest van goede huize komen om al het geld binnen te krijgen. Maar dat wist Gerrit niet. Bij hen thuis werd alles altijd direct afgerekend. Moeder Grietje zei altijd 'Als we geen geld hebben dan kunnen we niets kopen, punt uit.'
Hoofdstuk 3
O, wat was Gerrit zenuwachtig geweest toen hij voor de eerste keer bij Gea thuis kwam. Later kwam hij er wel achter dat dit niet nodig was geweest want Piet en Marie van der Velde waren heel aardige lui en hij voelde zich daar erg welkom. Ze wilden natuurlijk wel graag weten waar hij vandaan kwam en wie zijn ouders waren, maar dat vond hij normaal. Het was logisch dat ze wilden weten met wie hun dochter uitging. Het was tenslotte hun enig kind. Nou dat was Gerrit dus ook.
Een week later haalde hij Gea op met zijn Zündapp om kennis te maken met zijn ouders en hij merkte dat Gea helemaal niet nerveus was. Dat kwam omdat ze gewend was met allerlei mensen om te gaan in de winkel en hij kreeg steeds meer bewondering voor haar. Jan en Grietje keurden haar goed. Ze viel meteen goed in de smaak met haar vlotte babbel. Een leuke meid, daar waren ze het wel over eens en de dikke leverworst die Gea had meegenomen smaakte ook prima. Ja, met zo'n lekkernij kun je aankomen als slagersdochter. Het werd extra laat toen hij haar 's avonds naar huis bracht. Hij kwam bijna niet los uit haar omhelzing. Ja, het zat wel goed met die twee. Hij bracht de brommer naar de weg voordat hij hem startte om de ouwelui niet wakker te maken, maar Marie had wel gehoord dat hij wegging en dacht aan haar eigen jeugd. Halve nachten met haar Piet en het afscheid in de achterhuis.
Hoe sterk Gerrit ook verlangde naar de dagen met Gea, toch kwam hij maar eens per week. Dat was toen nog heel gewoon en ze vonden het ook prima, dat hield het mooi spannend. Aan sex dachten ze nog niet, althans ze dachten er wel aan maar Gea was er nog niet aan toe en Gerrit respecteerde dat. Wel had hij zijn hand wel eens onder haar rokje laten glijden en in haar broekje haar poeshaar gevoeld maar daar bleef het bij. Haar moeder had haar goed gewaarschuwd voor de gevaren die daar in schuilden. Gerrit zijn moeder had het anders gedaan. Die wees hem op de mogelijkheid om kapotjes te kopen. Zo noemden ze condooms in die tijd. Ze woonden in een havenstad en daar wisten ze wel wat er te koop was op dat gebied. Maar om een winkel binnen te stappen om zoiets te kopen, dat vergde nogal wat moed. Toen Grietje merkte dat hij daar tegenop zag nam ze het heft in eigen hand en haalde zelf een paar pakjes voorbehoedsmiddelen voor hem. Nu hadden ze het verder zelf in de hand, maar de jongelui waren verstandiger dan Grietje had gedacht. Zo'n anderhalf jaar konden ze hun lusten bedwingen en dat was niet in de eerste plaats Gerrit zijn verdienste.
Hoofdstuk 4
Op een mooie zonnige zondagmiddag huurden ze een boot en voeren tussen de hoge riethaag over het nogal druk bevaren kanaal. Vooral zeilboten waren goed vertegenwoordigd en daar moest je voor uitkijken want die hadden al laverend het hele kanaal nodig. Na een uurtje varen trok Gea haar bloesje uit om zich door de zon te laten verkleuren. Ze had het wel nodig want alle dagen in een koude slagerswinkel bruinde niet erg. Gerrit zag het met genoegen aan. Zij was een mooie meid, niet superslank, maar dat hoefde voor Gerrit ook niet. 'Er moet wat houvast zijn,' zei hij altijd en dat zat bij Gea wel goed. Zij had, toen de borsten werden uitgedeeld, ook niet bepaald achteraan gestaan. Zij zorgde dus voor een mooi uitzicht zo voor op de boot.
Het viel Gerrit op dat ze wat onrustig werd en vroeg wat er was. Ze antwoordde dat ze nodig moest plassen en je komt hier nergens aan de wal. Bovendien waren ze niet bepaald alleen dus stuurde Gerrit de boot behendig een brede sloot in en na een meter of vijftig liet hij de boot vast lopen in een brede rietkraag zodat ze helemaal uit zicht waren. 'Nou meid, ga je gang,' zei hij. Gea keek een beetje hulpeloos om zich heen maar hij zei, 'Hup, kont overboord en plassen maar.' Veel tijd om na te denken had ze niet want de nood was hoog en dus trok ze snel haar rokje uit en schopte het van de benen, broekje naar beneden en ging zitten op de rand. Gerrit hield haar goed vast zodat ze niet achterover tuimelde. En zo plaste Gea voor 't eerst uit een boot en aan het geklater te horen lukte dat prima.
Toen ze klaar was en aanstalten maakte overeind te komen liet Gerrit haar even los en daarom greep ze zich vast aan zijn bloes en zei, 'Dat is gemeen.' Maar Gerrit liet natuurlijk zijn Gea niet in het water vallen en trok haar tegen zich aan zodat ze niet de kans kreeg haar broekje op te trekken. In een innige omhelzing voelde ze zijn warme handen om haar blote billen waarna ze zich overgaf en niet langer tegenstribbelde. Terwijl Gerrit een rubber hoesje uit de verpakking frommelde maakte Gea zijn broek los en duwde hem naar beneden. Terwijl hij met trillende handen het hoesje over zijn stijve lid uitrolde, liet Gea zich op de bodem van de boot zakken en spreidde haar mollige dijen. Gek werd hij bij het zien van haar zwart behaarde poesje en zakte op de knieën en liet zijn kameraadje z'n weg zoeken. Samen zweefden ze naar de zevende hemel van genot. Een rietvink zong een liedje in het riet naast de schommelende boot. Dit moest een half uur duren maar na een paar minuten al bereikten ze hun hoogtepunt. Toen ze nog even nagenoten voelde Gerrit ineens dat het hoesje een maatje te groot werd en moest hij snel handelen want anders was al dat zenuwachtig gepruts voor niets geweest. Nadat ze zich hadden aangekleed bleven ze nog een tijdje in een innige omhelzing luisteren naar het ruisen van de wind door het riet.
Hoofdstuk 5
Het was al over zes toen ze thuiskwamen en Griet het eten al op tafel had staan. Ze konden dus direct aanschuiven. Griet zag aan hun doen en laten wat de jongelui 's middags was overkomen. Daar zijn moeders zo scherp is. Zij en haar Jan hadden zolang niet kunnen wachten, zij moesten na een goed half jaar al trouwen en acht maand later was Gerrit geboren. Maar spijt hadden ze daar nooit van gehad. Het was wel jammer dat er later geen kindje meer bij kwam, hoe vaak ze ook geoefend hadden.
Het was Gea al lang een doorn in 't oog dat er klanten waren die hun schulden steeds hoger op lieten lopen. Iedere keer als Gea zo'n klant er op aan sprak hadden ze wel één of ander smoesje en betaalden een tien gulden af maar gingen voor vijfentwintig gulden de deur weer uit. Ze sprak er met haar ouders over en zei dat het toch een keer afgelopen moest zijn. De schuld wordt steeds hoger en die mensen lossen het nooit weer af, laat ze maar naar een ander gaan.
Haar ouders zagen het probleem ook wel maar wisten geen oplossing. Je kon een klant toch niet met lege handen de deur uitsturen. Nou dat zag Gea dus heel anders. Ze zei, 'Ik ga er achteraan.' En zo ging zij 's avonds de mensen thuis opzoeken om de problemen te bespreken. Toen kwam ze tot de ontdekking dat de meeste van die slechte betalers het helemaal niet zo slecht hadden en enkele zelfs in luxe leefden. Ze stelde een lijstje samen en bezocht daarmee andere neringdoenden, zoals dat toen heette. En toen bleek dat die met het zelfde probleem zaten en ook veel van hun geld niet binnen kregen, ook door dezelfde mensen die op Gea haar lijstje stonden.
Gea belegde bij hun thuis een bijeenkomst om de problemen te bespreken en de opkomst was geweldig. Aan het eind van de avond werd besloten een winkel vereniging op te richten en Gea werd hun voorzitter. 'Ik wil dat wel,' zei Gea, 'maar dan spreken we af dat we allemaal meedoen en vanaf nu de wanbetalers in Friesland geen goederen meer zullen leveren tenzij ze betalen wat ze kopen en een deel van hun schuld aflossen.' Iedereen tekende daarvoor want ze waren er van overtuigd dat het probleem op deze manier werd opgelost. Voor enkele gezinnen met veel kinderen en een klein inkomen was het natuurlijk moeilijk de touwtjes aan elkaar te knopen en die zouden een beetje worden ontzien. Gea stelde een lijstje samen van die gezinnen en bezocht ze thuis om hun situatie te bekijken en nam dan gelijk een dikke leverworst mee en die kregen ze dan gratis. Ook liet ze wat stickers maken om aan de kassa te plakken met de tekst: 'Wie een lekker visje wil bakken moet boter bij die vis.'
Het leek een geintje maar niet lang daarna wist iedereen in Franeker wat het betekende als ze zo'n sticker op de kassa zagen in de winkels. In het begin liepen er klanten weg maar toen het in de wijde omtrek bekend werd waardoor ze in die andere plaatsen ineens vreemde klanten in de winkel kregen, besloten de meeste ook wat meer op hun hoede te zijn met die wanbetalers. Het werd de Van der Veldes niet in dank afgenomen en vooral Gea niet. Die had er nogal last van want zij werd er op aan gekeken.
Gelukkig waren de meeste wel met haar en de winkeliersvereniging eens en haalden de groenteboer, bakkers en slagers, het meeste geld binnen en daarmee was Gea haar actie meer dan geslaagd. Er werd in Franeker bijna niets meer gekocht zonder direct af te rekenen. Omdat iedere neringdoende wel wist dat ze nooit alles binnen kregen, werd afgesproken dat klanten, als ze vijfentwintig gulden van hun schuld aflosten, ze vijf gulden kwijtschelding kregen en dus dertig gulden werd afgeschreven. Zo raakten heel wat gezinnen langzaam van hun schuld af.
Hoofdstuk 6
Toen Gerrit op zijn vrije zaterdagmorgen wat rondfietste zag hij een woning te koop staan op een mooie stand net buiten de stad. Hij besloot er heen te gaan om even een praatje te maken. Er bleken een paar oude mensen te wonen en even later zat hij achter een kop koffie in de ruime keuken en hoorde waarom ze de woning te koop hadden. Het onderhoud werd hen te veel en nu was het plan om bij hun dochter in te gaan wonen. Die was met een boer getrouwd en bewoonde een kast van een huis zodat de ouwelui in een apart deel daarvan hun oude dag konden slijten. Gerrit was zeer benieuwd wat het huis wel op moest brengen. Hij schrok wel toen hij hoorde dat ze 45.000 gulden vroegen. Dat was een groot bedrag, maar toen hem werd verteld dat er een half hectare grond bij hoorde en hij het huis nader bekeek, viel het misschien nog wel mee. Het zag er prima uit en er stond ook een flinke stenen schuur achter.
Hij bedankte voor de koffie en fietste welgemoed naar huis. Hij vertelde wat hij had gezien en gehoord. Zijn vader wist meteen waar 't over ging en dat hij die mensen wel kende. 'Jij kent hun zoon want die werkt bij jou onder de kraan. Dat is Hendrik Visser.' En inderdaad kende Gerrit die al jaren.
's Middags gingen Jan en Grietje mee naar de Veldstraat 25 om het huis te bekijken en dat viel dus niet tegen, maar Jan vond de prijs wel een beetje hoog. 'Ons Hendrik gaat erover,' zei Visser, 'dus daar moeten jullie mee onderhandelen.' Nadat ze nogeens hadden rondgekeken en Visser vertelde wat hij allemaal van de tuin had geoogst, spraken ze af de volgende dag terug te komen, als dat mocht op zondag. Nou daar hadden de Vissers geen bezwaar tegen en dan zou Hendrik er ook zijn.
Gerrit fietste naar de telefooncel en belde Gea. Hij vertelde zijn verhaal en vroeg of ze morgen ook wilde komen om het huis te bekijken. Gea wist niet wat ze hoorde en kreeg die nacht weinig slaap. Niet omdat ze niet wilde, heel graag zelfs, maar 't kwam nu wel heel dicht bij. Ze hadden wel vaak gesproken over een eigen huisje als ze getrouwd waren. Een huis met een flinke tuin, dat leek haar helemaal te gek want ze was een groot liefhebber van tuinieren.
Zondag morgen tegen tienen kwam de familie Van der Velde aanrijden in Harlingen met de bestel Eend. Gea reed. Ze konden net met hun drieën voorin. Grietje was al druk in de keuken de stamppot aan het voorbereiden. Marie had er wat vleeswaren voor meegenomen. Het werd een gezellige ochtend en er werd al druk over hypotheek en borgstelling gesproken. De ouders waren bereid daarvoor te tekenen, want wilde je een hypotheek afsluiten bij de bank dan moest je een vaste baan en twee borgen hebben. Dat zat in dit geval wel goed maar zover was het nog niet. Eerst gingen ze 's middags met de hele familie naar de Veldstraat. Daar schrokken ze een beetje van zo'n groot gezelschap maar Gerrit stelde hen gerust door te zeggen dat ze niks kwaads in de zin hadden. Ze stelden zich voor. Jan Blok kenden ze wel en Hendrik en Gerrit waren collega's bij de haven en dat scheelde misschien met onderhandelen over de prijs. Het hele spul werd goed bekeken en Gea raakte zo opgewonden van de grote tuin dat Gerrit haar een beetje moest temperen en nam haar even apart. Hij maande haar een beetje rustig aan te doen want ze moesten proberen wat van de prijs af te krijgen, en dat lukte. De Vissers wilden na veel praten wel de kosten voor hun rekening nemen en dat scheelde al gauw acht procent van de koopsom. Daar wilden ze mee akkoord gaan en als de jongelui het geld rond konden krijgen dan kon de koop door gaan. Ze gingen tevreden uit elkaar. Gea bleef 's nachts in Harlingen en de volgende dag gingen ze naar de Boerenleenbank met het briefje wat Gea had opgesteld en de beide ouders hadden ondertekend voor de borgstelling. Dat viel goed bij de kassier, ze hadden hun voorwerk goed gedaan, daar kon hij mee naar het bestuur. Ja, zo werkte dat toen. Er moest eerst navraag worden gedaan naar de borgen en de families. Hij beloofde hen zo spoedig mogelijk bericht te doen toekomen. En inderdaad hadden ze binnen een week al toestemming van de bank. Daarna ging het snel want twee week later was de woning leeg en gingen ze aan de schoonmaak. Niet dat het zo nodig was, maar het hoorde wel zo en dan konden ze meteen de boel goed bekijken. Het viel niet tegen, alles was gaaf en er hoefde niets te worden veranderd.
Toen ze met elkaar bezig waren met boenen en poetsen zorgde Gerrit voor een verrassing. Onder de koffie liet hij zich voor Gea op zijn knieën zakken en nam haar beide handen in de zijne en zei plechtig, 'Gea, m'n meisje, wil je met mij trouwen.' En terwijl de moeders met vochtige ogen toekeken, liet Gea zich van haar stoel in zijn armen zakken en zei, 'Natuurlijk wil ik met je trouwen, hoe zou ik kunnen weigeren, zo'n lieve jongen met een huis en een grote tuin.' Ze lachten en kusten elkaar. Ze lieten er geen gras over groeien en gingen de week daarop in ondertrouw en bespraken de trouwdag. Dertien juni werd het want dat was Gea haar verjaardag. Dan kon hij het later ook nooit vergeten. Dat overkomt mannen namelijk wel eens.
Ze hielden een heel bescheiden bruiloft met familie en vrienden maar omdat Gea in Franeker nogal bekend was, kwamen er meer mensen dan ze hadden verwacht. Maar och, Van der Velde betaalde en die hadden het voor hun dochter over, want die had heel wat voor hun verdiend. En zo hadden Gerrit en Gea elkaar voorgoed en dat wisten ze heel zeker.
Hoofdstuk 7
Gea haar oom Andries, een broer van haar vader, had een meubelzaak in Franeker. Niet zo heel groot maar wel een zaak met degelijke spullen. En omdat ze daar de hoogste korting kregen mocht oom Andries het hele huis inrichten. Gea's moeder zei, 'Je moet goed spul uitzoeken want je moet er je halve leven mee doen.' Gea hoefde niet op een paar centen te kijken want wat ze niet wist was dat haar ouders een spaarrekening voor haar hadden bij de bank en daar regelmatig geld op hadden gestort. Zij was wel eens jaloers geweest op haar vriendinnen met een baan. Die beurden hun loon terwijl Gea het met zakgeld moest doen. Ze had nooit geklaagd en nu waren de rollen omgekeerd. Die meisjes hadden nogal royaal geld uitgegeven want wie het breed heeft laat het breed hangen. Gerrit had ook nogal wat gespaard en daardoor konden ze nu kopen wat ze wilden en zo was de woning kant en klaar voor hun huwelijksdag. Gea bleef een paar dagen per week bij haar ouders in de slagerswinkel en bracht bestellingen rond.
Thuis aan de Veldstraat waren ze regelmatig in de tuin aan 't werk want Gea had grote plannen en er ontstond, behalve de groentetuin, ook een mooie voortuin vol bloeiende planten. Het was de laatste jaren wat verwaarloosd. De oude mensen konden het niet meer doen en de kinderen hadden het thuis te druk. Gerrit hoefde dus geen bloemen voor zijn vrouw te kopen want die kweekte ze zelf en groente was er ook in overvloed. Gea had groene vingers. Alles wat ze aanraakte werd groen volgens Ger. Zo noemde ze hem tegenwoordig en Gerrit vond het prima. Ger en Gea, dat klonk goed.
Omdat Gea vaak visa versa Franeker-Harlingen reed op Ger zijn brommer werd die er niet beter op. Toen er dan ook grote onkosten aan kwamen besloten ze wat anders te kopen. Een auto zat er nog niet in, maar toen Ger eens bij de fietsenhandel rondneusde zag hij daar een mooie tweedehands scooter staan. Een groene Vespa. Toen hij dat thuis vertelde sprong Gea een gat in de lucht. Dat was wat ze nog mooier vond dan de bestel Eend van haar vader. Die zelfde middag gingen ze kijken en mochten een stukje proef rijden. Lang hoefden ze niet na te denken en kochten de Vespa. Ze kregen ook nog wat voor de oude brommer. Voortaan reed Gea zo trots als een pauw naar Franeker op de Vespa en Ger mocht ook wel eens een stukje rijden.
Toen ze hun eerste trouwdag vierden met hun ouders werd er terloops gesproken over kleinkinderen. 'Jullie hebben gelijk,' zei Ger, 'het wordt tijd maar je zult toch geduld moeten hebben.' Want hoewel ze vaak oefenden en Ger steeds met blanke sabel ten strijde trok en Gea zich volledig overgaf, kreeg ze toch iedere maand weer opoe op bezoek. Niet dat ze nou zo zaten te springen om een kind, want zolang Gea er bij werkte kon er lekker worden afgelost op hun schuld bij de bank. Maar kinderloos wilden ze niet blijven, dat wisten ze zeker.
Hoofdstuk 8
Op een mooie zondagmiddag in 't najaar huurden ze nog eens een boot. Een kameraad had een jachtwerfje overgenomen en had er wat verhuurboten bij. Aangezien de vakantie's achter de rug waren konden ze voor weinig geld een boot huren. Gea stond die middag aan het stuurwiel en Ger lag voorin te genieten van de eenden en meerkoeten in 't riet. Toen ze in de buurt kwamen van de sloot waar ze elkaar ontmaagd hadden zei Ger heel ernstig, 'Ik moet nodig plassen en hoe doen we dat?' Gea lachte en begreep natuurlijk zijn hint en stuurde de boot de sloot in waarna ze een flink stuk doorvoer voor dat ze de rietkraag in voer. Het was er zo stil en vredig dat ze zich in het paradijs waanden. Langzaam begonnen ze elkaar uit te kleden en gaven zich, zonder het gedoe met rubberhoesjes, over aan het liefdesspel. De tijd welke ze de eerste keer hier te kort waren gekomen namen ze er nu bij. Het was zeker een half uur later toen Gea huiverde en ze besloten zich weer aan te kleden. Wat hadden ze genoten zo in de vrije natuur. Dit was toch heel anders dan thuis tussen de lakens. Heel voldaan voeren ze terug naar de stad.
Een dag of veertien daarna zaten ze 's avonds op de bank te luisteren naar hun favoriete muziekplaatjes toen Gea dicht tegen Ger aan kroop en zachtjes zei, 'Ik geloof dat jou zaadjes eindelijk mijn eitjes zijn tegengekomen. Ik ben al een week over tijd en 't voelt anders in mijn buik dan normaal.' Ger veerde op en omhelsde haar en vroeg of ze er blij mee was. Hij had het niet hoeven vragen want hij zag het in haar ogen. Ze hadden geen zwangerschaptest nodig. Na een paar weken wisten ze het zeker. Gea kreeg zin in dingen waar ze voorheen niet aan had gedacht. Zo stond er ineens een pot zure bommen in de keuken met een vork erin. Ook de ouders waren er blij mee, het zou hun eerste kleinkind worden. Toch zouden ze Gea missen in de winkel maar Grietje had al aangeboden op te komen passen zodat Gea nog wel een dag in de week in winkel kon staan. Zij had toch tijd genoeg.
De zwangerschap verliep voorspoedig. Gea groeide als kool, die ze in hun tuin verbouwden. Zolang het kon ging ze twee dagen in de week op de scooter naar Franeker. Ze was half mei uitgeteld en hoopten dat de baby op haar verjaardag zou komen. Dertien mei, dat zou mooi zijn. Begin april hadden ze bij Van der Velde een meisje aangenomen voor in de winkel en kon Gea thuis rustig haar kindje afwachten. Het waren zware weken voor de bevalling. Ze was zo dik dat ze nauwelijks nog kon lopen. Ze dachten al aan een tweeling. Gelukkig kwam haar schoonmoeder regelmatig een beetje helpen. Bij de haven waren ze op de hoogte en was een vervanger geregeld voor als het zover was.
In de nacht van 11 op 12 mei leek het ervan te komen maar het kind had schijnbaar nog geen zin en het beterde weer over. Wel ging Ger die morgen naar de haven om de vervanger te regelen zodat hij die dag bij Gea thuis kon zijn. Die twaalfde mei gebeurde er niets en het leek er dan ook op dat het kindje aan Gea haar wens voldeed. En inderdaad na een heel onrustige nacht kwamen de weeën op gang. Om half tien 's morgens op 13 mei perste Gea hun dochter naar buiten. Alles erop en eraan, al had Ger stiekem gehoopt dat er nog iets extra aan zou zitten, maar een meisje was ook meer dan welkom. Terwijl de kraamhulp de verzorging van moeder en kind op zich nam, spoedde Ger zich naar een telefooncel om het nieuws door te seinen naar zijn schoonouders. Die deden 's middags de winkel op slot met een briefje op de deur dat hun eerste kleinkind geboren was. Grietje was de naam geworden, want zo ging dat vroeger. De ouders van vaders kant waren eerst aan de beurt om te worden vernoemd. Was het een jongen geweest dan werd het een Jan. 'Ik wacht mijn beurt wel af,' zei Ger's vader toen hij 's middags beschuit met muisjes kwam eten en het kindje bewonderde. Het was een beweeglijk meisje en volgens Gea was dat geen wonder want het is in een boot gemaakt. Daar deden ze niet zo geheimzinnig over. Gea was er gauw weer bij en liep trots met het kindje in een nieuwe kinderwagen over straat, die ze van de ouders hadden gekregen. Het was haar verjaardagcadeau, het kind en het wagentje. Hoe hadden ze het zo gepland. Dat kan alleen als je de schrijver op de hand hebt.
Hoofdstuk 9
Hun dochter groeide voorspoedig op en werd weldra een hele meid. En zoals het gezegde luid: 'Als er één schaap over de dam is volgen er meer.' Want ruim een half jaar later was Gea in verwachting van hun tweede kind. En och, alles ging goed dus waarom niet. Gea zaaide en oogstte dat het een lust was. Groente maar ook aardappelen uit eigen tuin en dat scheelde behoorlijk in de huishoudbeurs en zo spaarden ze in korte tijd flink om de hypotheek af te lossen. Zo snel, dat de kassier van de bank hen een beetje temperde en aanraadde om wat geld in het huis te steken. Ze hadden dertig jaar de tijd voor die aflossing.
Er was nog geen badkamer in het huis dus werden er plannen gemaakt om dat te realiseren. Met behulp van een vriend, die bouwvakker was, bouwden ze een mooie badkamer met een douche en wastafel. Wat een luxe was dat voor die tijd. Het was toen nog heel gewoon in de eenvoudige gezinnen om op zaterdag, vanuit een teiltje warm water, je te wassen. Zij waren het eerste gezin in de buurt met zo'n mooie badkamer. Toen alles klaar was gingen ze met samen onder de douche. Heerlijk was dat om elkaar eens lekker te wassen. Verschillende buurtgenoten kwamen de mooie douche bewonderen. Begin september werd hun tweede kind geboren. Weer een meisje en dus was Gea haar moeder Marie aan de beurt te worden vernoemd. Ger's vader Jan wilde, zoals hij zei, ook graag zijn naam voortgezet zien in de familie en raadde dus aan om de volgende keer een jongetje te maken. 'Als je maar goed je best doet moet dat lukken.' Ger beloofde eraan te denken, maar Gea zei, 'Als dit zo doorgaat moeten we omzien naar een groter huis.' Nu hadden ze nog een grote zolder dus ruimte voor een slaapkamer erbij was er wel. Met een beetje hulp van z'n vriend en materiaal van een sloopbedrijf timmerde Ger een mooie slaapkamer. Eenmaal in de verf zag je er niets van dat het geen nieuw hout was. Het moest wat zuinig aan want Gea had haar werk opgezegd want ze had nu de handen vol aan haar twee kinderen. Nu had ze wel meer tijd voor haar hobby, de tuin. En dat was haar aan te zien. Was ze anders zo blank als een lelie, nu was ze behoorlijk gebruind en dat maakte haar tot een mooie vrouw. Ger bewonderde haar meer en meer en liet dat ook blijken. Ze hadden het goed met elkaar. Zo goed zelfs dat toen Marietje zeven maanden oud was, er een derde kind op komst was. Als dat nou eens een jongen mocht zijn. Maar ze moesten afwachten wat de schrijver met hen van plan was.
Hoofdstuk 10
Toen Gea een maand of vijf zwanger was, voorspelde ze dat het nu een jongen zou worden. Het voelt anders dan toen met die meiden. 'Hij trapt me bijna door mijn buikwand heen.' Schoonvader Jan was blij met haar voorspelling. Dan komt het toch nog goed. En inderdaad was het ditmaal een jongen. Na de geboorte van hun Jan werden ze het eens dat het anders moest. Gea wees hem niet af maar ze moesten wel weer aan de voorbehoedsmiddelen. Omdat ze zielsveel van elkaar hielden was dat ook geen enkel bezwaar.
Ze waren een hecht gezin en deelden alles samen. Lief, maar ook leed. Toen Jan Blok 65 jaar werd en met pensioen ging werd hem, en met hem nog vier andere havenwerkers, een korte vakantie aangeboden. Omdat ze nog nooit op vakantie waren geweest werd dat voor hen een grote belevenis. Ze mochten met hun tienen mee met een bus naar Luxemburg. Het was een trip van acht dagen. Ze reden door Duitsland er naartoe en zagen voor het eerst van hun leven bergen. Ze werden onder gebracht in een mooi hotel en sliepen ook voor het eerst onder een dekbed. Het eten was prima en de dagtochtjes onvoorstelbaar mooi, al was het angstig om zo dicht langs de afgrond op de smalle bergwegen te rijden. Op de zevende dag sloeg het noodlot toe. Na de koffie in het hotel gingen ze op stap voor een mooie dagtrip. Tijdens een steile afdaling met veel haarspeldbochten kregen ze een klapband rechtsvoor. Omdat dat gebeurde vlak voor een scherpe bocht naar links schoot de bus rechtdoor over het muurtje langs de weg en sloeg verschillende keren over de kop. De ravage was enorm. Even was het stil maar toen hoorden de mensen in het dorpje Hoscheid een vreselijk gegil en zagen ze de bus tegen de berghelling liggen. Direct werd er groot alarm geslagen en kwam de hulpverlening op gang. De plaats van het ongeluk was moeilijk bereikbaar maar toen de hulpverleners bij de bus kwamen werd duidelijk hoe groot de ramp was. Van de veertig mensen in de bus waren er twaalf direct overleden en zeven zwaar gewond waaronder de chauffeur. De rest was er redelijk goed van afgekomen. De gewonden werden zo snel als het kon afgevoerd naar ziekenhuizen in de stad Luxemburg en Vianden. De andere mensen werden ondergebracht in een hotel in de buurt.
Gea hoorde het bericht over de radio. Er werd gesproken over vakantiegangers uit Friesland met een bus uit Drachten. Ze vreesde het ergste. Toen Ger 's middags van zijn werk thuis kwam wist hij nog van niets. Pas de volgende dag werd goed duidelijk dat het inderdaad de bus betrof waarin de mensen uit Harlingen zaten. De havendienst zocht contact met de instanties in Luxemburg en belegde een bijeenkomst in het havenkantoor. Daar werd duidelijkheid verschaft over de toedracht van het ongeluk en de gevolgen. Vier van de vijf echtparen uit Harlingen hadden de ramp niet overleefd waaronder Ger zijn ouders. Twee vrouwen lagen gewond in een ziekenhuis in Vianden. Alle namen waren bekend en de families konden op kosten van de havendienst de gewonden bezoeken. De busonderneming liet een bus rijden. De overledenen werden zo spoedig mogelijk overgebracht naar Nederland. Groot was de verslagenheid in Harlingen bij de getroffen families. Heel de stad leefde mee want het droeve nieuws ging natuurlijk als een lopend vuurtje rond. Ger en Gea leefden in een soort roes en kwamen bij hun positieven toen de stoffelijke overschotten van Jan en Grietje Blok met de anderen waren opgebaard in de aula. Toen drong het pas echt tot hen door. Het is haast niet te geloven, wat een mooie vakantie had moeten worden en het begin van een rustig leven na het pensioen, eindigde op het kerkhof. Een lange stoet nabestaanden en belangstellenden volgden de kisten voor de gezamenlijke begrafenis.
Thuis gekomen probeerden ze de kinderen uit te leggen waarom hun Pake en Beppe nooit terug zouden komen.
Het zou nog weken duren voordat de gewonden konden worden vervoerd. Twee van hen overleden alsnog waarvan één uit Harlingen. De havendienst stelde zich heel sociaal op alsof ze zich een beetje schuldig voelde over het gebeurde. Al hernam het dagelijks leven zijn gang, toch zou het nooit meer worden zoals het was geweest. Voor de nabestaanden werd later een reis georganiseerd door de havendienst naar de plek van het onheil om er een soort monument op te richten. Ger en Gea gingen niet mee maar betaalden er wel aan mee. Ze durfden niet, ook al omdat ze de kinderen thuis moesten laten. Er werden foto's van de 'plechtigheid' gemaakt, welke ze later konden bekijken in de kantine bij de haven. Daarmee hadden ze het een beetje afgesloten.
Hoofdstuk 11
De kinderen groeiden op zoals ouders dat graag zien. Na de lagere school gingen de meiden naar de huishoudschool en Jan naar de technische school. Hij wilde graag automonteur worden. Hij was gek van auto's en omdat die in opkomst waren leek dat ook wel het vak van de toekomst. Met een rapport vol goede cijfers was dat ook geen probleem. Toen Grietje achttien was ging ze in de vakantie naar Terschelling om daar in de horeca wat geld te verdienen. Ze was niet de enige uit Harlingen en had al mooie verhalen gehoord over dat eiland. Daar was wat te beleven en het werken daar, werd als een soort vakantie gezien. Het viel later wel een beetje tegen. Ze moest flink aanpakken maar er bleef wel tijd over voor uitstapjes om contact te maken met jongens. Gea had ze uitvoerig gewaarschuwd voor de gevaren welke meisjes liepen. Niet met vage woorden maar precies wat die gevaren dan wel waren. Grietje beloofde het broekje aan te zullen houden in gezelschap van jongens. Meer kon Gea er niet aan doen dan het beste er maar van hopen.
Jan en Marietje gingen samen een krantenwijk doen, en och, dat verdiende ook lekker. Volgend jaar misschien ook naar Terschelling. Toen Jan zeventien werd ging hij naast school bij een garage in de leer voor twee dagen per week. Het duurde niet lang of hij mocht een keer in een auto rijden. Op het terrein weliswaar en alleen in een oude Kever. Hij schafte zich een boek aan met de verkeersregels en maakte zich zo de theorie eigen. Zodra hij achttien was moest hij zo gauw mogelijk het rijbewijs halen en had de garagehouder wel een Kevertje voor hem te koop. Je kon toen in die tijd als arbeidersjongen kiezen uit twee merken. Dat was een Opel Kadet of een Volkswagen. Jan koos voor een Volkswagen want die rochelde zo lekker met een luchtgekoelde motor. Zijn ouders waren er niet erg blij mee, maar ja, wat wil je. Kleine kinderen worden groot en het was ook wel gemakkelijk. Jan bracht zijn overal naar toe als ze maar bijdroegen in de kosten, want een auto is duur, daar kwam hij wel achter. Ook bij de meisjes viel hij op met zijn Kevertje en hij hoefde maar met de vingers te knippen en ze zaten al naast hem.
In het weekend reden ze graag naar Leeuwarden of Den Helder en zelfs een enkele keer naar Groningen. Toen er die zomer een groot feest was in Egmond aan Zee ging hij met een vriend en twee meisjes daar op een zondag naar toe. Voor ze weg reden had Gea hen gewaarschuwd vooral niet te drinken en dat had Jan plechtig beloofd. Hij was ook geen drinker. Maandagmorgen stond er geen Kever naast het huis en dat was vreemd want hij kwam altijd thuis. Een bang voorgevoel bekroop hen. Gea was helemaal overstuur en Ger probeerde rustig te blijven maar ook hij vreesde het ergste. Hij ging direct naar de ouders van Jan zijn kameraad. Daar waren ze ook helemaal in paniek. Een bijkomstigheid was, dat die jongen die dag jarig was en achttien zou worden. Terwijl ze er over spraken kwam de moeder van één van de meisjes achterom. Wat moesten ze doen. Naar het politiebureau dan maar. Daar wist men van niets maar terwijl ze daar waren kwam er een bericht binnen over een Volkswagen in het kanaal bij Maartensvlotbrug in Noord-Holland. Een vroege voorbijganger had de auto half onder water zien liggen. Een duikploeg van de brandweer was te water gegaan ontdekten dat er twee jonge mensen in de wagen lagen. Door middel van het kenteken hadden ze achterhaald dat de auto uit Harlingen kwam. Toen Ger het nummer hoorde werd zijn angst bewaarheid. Het nummer was van Jan zijn auto en de politie gaf direct door dat er nog twee mensen in de auto hadden gezeten.
Ger durfde bijna niet naar huis. Groot was de verslagenheid. Het was haast niet te bevatten, zo jong nog en wat was er gebeurd. Later die middag kwamen twee agenten uitleggen wat er precies was gebeurd. Het was die nacht mistig geweest in Noord-Holland en vooral daar langs het kanaal. Vermoedelijk waren ze door het slechte zicht van de weg geraakt en tegen het bruggenhoofd gebotst. Twee van hen waren uit de auto geslingerd en die werden later een eind verder uit het water gehaald. De volgende dag werden de lichamen naar Harlingen gebracht. Uit onderzoek bleek dat de chauffeur niet had gedronken. Er kon Ger en Gea niet worden verweten dat hun zoon dronken achter het stuur had gezeten desalniettemin was het verdriet van de ouders en familie onnoemlijk groot. De auto was totaal vernield. De meiden kwamen thuis om het verdriet met hun ouders te delen. Er was dus weer een grote gezamenlijke begrafenis. Jan kwam naast zijn Pake en Beppe te liggen die ook zo vreselijk om het leven waren gekomen. Gelukkig waren ze een hecht gezin en hadden ze veel steun aan elkaar om hier weer doorheen te komen.
Hoofdstuk 12
Hun oudste dochter Grietje was in vaste dienst gekomen bij een ouder echtpaar met een groot pension op Terschelling en zorgde dat ook haar zuster daar in de vakantie aan de slag kon. Dat beviel zo goed dat de pensionhouder en zijn vrouw rustig op vakantie gingen en het spul aan de meiden overliet. Toen ze na drie weken Tenerife terug kwamen deden ze de zussen een voorstel om het pension en het eethuisje van hen over te nemen. Eerst in huur, dan konden ze het uit proberen en rustig bekijken of het wat voor hen was. De boeken kwamen op tafel om te zien hoe het er voor stond. Het was een rendabel bedrijf waar ze goed van konden leven. Ook was er een mooie woning bij, dus als het door zou gaan hadden ze meteen woonruimte want dat was wel eens een probleem op het eiland. De oude mensen lieten dan een eigen woning bouwen.
Toen de meiden met het verhaal thuis kwamen vonden ze bijval. Gea had eerst wel wat bezwaren. 'Dat begrijp ik niet,' zei Ger, 'jij komt uit een middenstandsgezin. Ik dacht dat jij er direct vóór zou zijn. Ze zijn nog jong en als ze het wel zien zitten moeten ze het doen. Het is die oude mensen ook goed gegaan en er zit toekomst in de vakantie wereld. De mensen krijgen steeds meer geld en dan willen ze worden vertroeteld en daar kunnen zij voor zorgen.' Dat ze nog geen relatie hadden kwam wel goed uit. Nu konden ze het samen runnen en de taken verdelen. Het waren echte zussen en ze konden goed met elkaar opschieten. Grietje en Marie gingen welgemoed terug naar hun eiland waar ze een goede toekomst tegemoet gingen.
Ger verheugde zich op zijn pensioen, al was dat pas over drie jaar aan de orde. Niet dat hij een hekel aan zijn werk had, maar als het zover was konden ze eens wat verder kijken dan Friesland. Hij had zijn rijbewijs gehaald en ze waren van plan een auto aan te schaffen. Maar eerst had Gea nog een andere grote wens en dat was telefoon, dan kon ze wat vaker met de meiden bellen. Nu moest ze naar een telefooncel en dat praat niet zo lekker. Er zou een kabel worden aangelegd door de straat, als er genoeg belangstelling voor was. Ze ging eens vragen in de buurt en de meeste waren voor. Een half jaar later was het zover. De straat werd opengebroken, de kabel gelegd en ze kregen een aansluiting. Het werd haast een plechtige ceremonie toen ze de eerste keer vanuit hun eigen huis de dochters belden. Ger waarschuwde om niet te lang te kletsen want dat koste geld. Maar ja, als vrouwen eenmaal aan het kwebbelen zijn dan weet je het wel. Later kwamen ze er wel achter dat het vastrecht veel duurder was dan de gesprekken.
Die zomer hadden ze het geld bij de bank afgelost en was het eindelijk hun eigen woning. Toen gingen ze omkijken naar een auto. Natuurlijk geen nieuwe maar een tweedehandsje. Er werd hen wel wat aangeboden door een handelaar maar dat leek Ger niks. Hij wilde een auto van een betrouwbare garage, daar kreeg je tenminste nog garantie. Een collega gaf hem de tip eens bij de garage te kijken waar zijn zoon had gewerkt. Hij was er nog nooit weer geweest na diens ongeluk. Hartelijk werd hij er ontvangen en er stond inderdaad een mooie Fiat 500 met niet veel kilometers op te teller, en de prijs stond hem ook wel aan. 's Middags ging hij met Gea kijken en mochten ze ook een proefrit maken. Ze reden richting Franeker want ze wilden het wagentje aan Gea haar ouders laten zien. Het was een pittig ding. Onderweg ruilden ze van plaats want Gea wilde ook eens proberen. Al was het Fiatje wat aan de kleine kant, ze werden er wel al direct een beetje verliefd op. Ook Gea haar ouders vonden het een mooi wagentje al paste vader Piet er niet in met zijn lange benen. De koop werd gesloten en ze waren de trotse bezitters van 't rode rugzakje. Daarna waren ze nogal eens aan de Noordzee kust te vinden maar iedere keer als ze langs de Maartensvlotbrug reden werden ze weer herinnert aan het ongeluk wat vier jonge mensen het leven had gekost. Er was door de ouders een gedenksteentje geplaatst met de namen en de datum van het gebeurde.
Hoofdstuk 13
Gea en Ger hadden er een gewoonte van gemaakt om op zondagmorgen samen te douchen. Dan wasten ze elkaar de rug en zo, en Ger ging dan wel eens achter haar staan en legde z'n handen om haar flinke borsten om die voorzichtig te masseren. Heerlijk vond ze dat. Zo intiem en liefdevol. Zo ook die morgen in mei. Het was even voor haar drieënzestigste verjaardag. Zachtjes kneedde hij haar al wat hangende borsten. De wet van de zwaartekracht deed zich gelden maar Gea zat daar niet mee, het hoorde er nu eenmaal bij als je ouder werd. Plotseling voelde hij iets wat er anders niet was. Gea voelde dat hij aarzelde en vroeg, 'Is er wat? Ger zei, 'Ik wil je niet ongerust maken maar voel zelf ook eens onder de tepel van je linkerborst.' Ze voelde en terwijl ze dat deed zei ze, 'Jij kent mijn borsten beter dan ik.' Toen ze later in de slaapkamer zich gingen aankleden keek ze in de spiegel en zag inderdaad een beetje verschil. Maandagmorgen een afspraak gemaakt bij hun huisarts en die stuurde haar door naar het ziekenhuis in Leeuwarden voor een foto. Twee dagen later kon de foto al worden gemaakt en ze waren ruim op tijd in Leeuwarden in het ziekenhuis. De foto's werden gemaakt en ze konden weer gaan. De dokter kreeg wel bericht en dat was vlugger dan ze hadden verwacht. Twee dagen later belde de dokter (wat een gemak zo'n telefoon) dat er wel wat zat en of ze de volgende dag terug wilden komen in het ziekenhuis om er een stukje uit te nemen om te zien of het goed of kwaadaardig was. Gea raakte al wat overstuur maar Ger probeerde haar gerust te stellen. Hij wilde zich groot houden voor haar, maar hij zat er toch wel wat over in. Je weet maar nooit. Je hoorde steeds vaker over kanker. Het was een slopende ziekte. Je moest er toch niet aan denken.
's Avonds voor ze naar bed gingen keken ze nog even of 't misschien groter was geworden. Maar zo snel gaat dat natuurlijk niet. Dat zou niet best zijn. De volgende dag dus maar weer naar Leeuwarden. Gea was zo zenuwachtig dat ze op haar benen stond te trillen. De zuster kalmeerde haar wat, maar die kon zich goed voorstellen wat die vrouw voelde. Het duurde niet lang en de pijn viel haar mee. Het werd op kweek gezet en daarna zou de huisarts wel weer bericht krijgen. Het werd een spannende week in huize Blok en de meiden belden iedere dag. Toen na acht dagen de dokter belde werd het helemaal paniek want het was niet goed. Het bleek kanker te zijn. Waarschijnlijk moest de borst worden verwijderd en dan moesten ze maar afwachten of het niet uitgezaaid was door het lichaam.
Toen Gea na de operatie weer bij kwam uit de narcose, zaten Ger en de beide meiden rond het bed. 's Middags kwam de dokter vertellen hoe het gegaan was en stelde hen gerust. Ze hadden niets gevonden, wat er op leek, dat er uitzaaiingen waren maar ze hadden wel haar borst verwijderd. Ze kon ondanks dat weer een beetje lachen. Het was al een hele geruststelling dat het verder goed was, al weet je natuurlijk nooit wat de toekomst brengt. Gea herstelde prima en met een opgevulde beha zag je er niks van. Ger had er geen enkele moeite mee en na het douchen hield hij zijn linkerhand wel ergens anders. Gea was een mooie mollige vrouw dus houvast genoeg.
Gerrit Blok nam afscheid bij de haven met een feestje samen met familie en collega's. Een mooie toespraak door de directeur en een cadeau werd hem aangeboden. Hij moest natuurlijk ook wat zeggen als dankwoord en was blij dat het achter de rug was. Hij hield er niet van om in de belangstelling te staan. Nu was hij gepensioneerd en had dus veel vrije tijd. Dat viel hem eerst behoorlijk tegen. Je moet leren om met vrije tijd om te gaan. Gea hielp hem op weg. Eerst de tuin in met z'n tweeën en ze leerde hem tuinieren. Daar kun je heel wat tijd in kwijt en met mooi weer gingen ze vaak fietsen. Eerst korte tochtjes en daarna werden de tochtjes hele tochten en waren ze vaak hele dagen onderweg. Brood en koffie mee. Tachtig kilometer op een dag werd normaal. Ze toerden heel Friesland door. Ze hadden nog nooit zoveel gepraat met elkaar en leerden zo elkaar nog beter kennen. Als je zolang getrouwd bent denk je dat je alles wel weet van je partner maar dat valt toch tegen. Ieder leeft toch een beetje in zijn of haar eigen wereldje en als dan de situatie veranderd en je alle dagen op elkaar bent aangewezen zie je een andere kant van hem of haar. En dat hoeft niet verkeerd te zijn. Dat ondervonden Gea en Ger ook. Ze kregen nog meer waardering voor elkaar en werden opnieuw verliefd. Zo stonden ze wel eens onderweg te zoenen en schaamden ze zich als een ander dat zag. Die dachten natuurlijk aan een tweede keus. Zo hadden ze een prachtige zomer samen.
Hoofdstuk 14
De winter ging voorbij en er was weer geen Elfstedentocht en daarom maar hopen op een mooie zomer. Maar die zomer werd anders dan ze zich hadden voorgesteld. Gea had de laatste tijd wat last van haar linkerarm. Die werd wat rood en opgezet en dus raadpleegde ze haar huisarts. Die vertrouwde het niet en stuurde haar weer naar het ziekenhuis en daar bleek dat de lymfklieren niet in orde waren. Het vocht hoopte zich op in haar arm. Na een uitgebreid onderzoek werd duidelijk dat ze lymfklierkanker had en dat was na de borstkanker niet ontdekt. Op oudere leeftijd gaat dat langzaam maar woekert wel door en nu bleek het al door haar hele lichaam verspreid te zijn. De slag kwam hard aan en ondanks de optimistische instelling van Gea en de chemo kuren, begon ze in de loop van de zomer af te takelen. Ger zag met afgrijzen aan dat zijn mooi mollig meisje steeds magerder werd. Op een mooie zaterdagmiddag in augustus zaten ze samen in de zon op het bankje achter hun huis toen Gea zei dat ze nog wel es een keer naar hun liefdesplekje zou willen. Dat was altijd hun plekje gebleven. Zo nu en dan voeren ze er naar toe om te genieten van de stilte en van elkaar. 'Dan doen we dat toch, ik zal even de boot bespreken,' zei Ger. Hij liep naar de telefoon en draaide het nummer van de botenverhuurder. 'Met Gerrit Blok,' zei hij, 'ik wil graag morgenmiddag een boot. Gea wil graag nog een keer een eindje varen.' 'Dat is geen probleem en je mag hem gratis meenemen.' Ze kenden Ger en Gea goed en wisten van de ziekte van Gea.
De volgende zondagmiddag reden ze in het autootje naar de jachtwerf. Er lag al een fluisterbootje voor hen klaar. Dat is een boot met een elektromotor of accu. Ger legde een paar kussens in de boot en hielp Gea er in te stappen. Rustig voeren ze er naartoe. Het was schitterend weer en Gea was opgewekt, bijna vrolijk. Een tijdlang zaten ze hand in hand te luisteren naar de stilte. Het was warm daar in de luwte tussen de hoge wallen. Op een gegeven moment zei Gea zachtjes,' Zou je nog wel een kindje willen maken.' Hij kuste haar en zei, 'Ik wil het graag proberen, maar ik kan je geen garantie geven.' Hij legde de kussens onder in de boot en hielp haar, haar rok en broekje uit te trekken en ze liet zich op de kussens zakken. Haar mollige dijen waren dunne beentjes geworden en met tranen in zijn ogen liet hij zich zakken en nam haar voorzichtig. Hij hoorde haar zwaar zuchten en was blij haar te kunnen bevredigen. Ze vrijden nog even na en allebei dachten ze aan dat dit wellicht de laatste keer was dat ze hier waren en misschien ook wel de laatste keer dat ze hadden gevreeën. Ze huilden hete tranen van verdriet. Laat in de middag brachten ze de boot terug en hielp hij haar in de auto en bedankten voor de boot.
Ger had de meisjes gevraagd thuis te komen om hen nog een beetje bij te staan. Hun moeder ging snel achteruit en op vrijdag achttien augustus was ze overleden. De week erna werd ze begraven naast hun zoon. Ger was zo van de kaart dat hij nauwelijks besefte wat er gebeurde. Alles ging als in een roes aan hem voorbij. Toen hij weer een beetje tot zichzelf was het maar goed dat zijn dochters nog bij hem waren, want als die er niet waren geweest had hij zich van het leven beroofd. Wat moet ik hier nou nog alleen, vroeg hij zich af, nu is het leven voor mij ook niets meer waard. De meisjes konden hem overtuigen dat hij hen dat niet aan kon doen. Ze bleven om de beurt twee maanden bij hem tot hij er een beetje overheen was en 't normale leven weer op kon pakken. Maar normaal werd het natuurlijk nooit meer.
Hoofdstuk 15
Op een middag in december na een bezoek aan het kerkhof liep hij wat doelloos langs de jachtwerf toen zijn oog viel op een boot met een bord 'TE KOOP' erop. Het was een boot van rijkswaterstaat. Hij kende die boten wel, ze voeren er mee op het wad. Deze had al heel wat meegemaakt. Dat kon je zien aan de deuken en krassen. Toen hij in gedachten er al mee weg voer voelde hij een hand op zijn schouder en zei een bekende stem, 'Hoe is het jongen.' Hij keek om en zag dat zijn vriend Jacob achter hem stond. Die beheerde samen met zijn zoon de jachtwerf. 'Niet zo goed,' zei Ger, 'ik heb verschrikkelijk heimwee naar Gea.' Jacob bood hem een kop koffie aan en even later zaten ze bij zijn vrouw Annie in de keuken aan de koffie. Ger begon te praten, 'Je kunt je niet voorstellen wat het is om je vrouw te verliezen. Eerst mijn ouders en later mijn zoon. Dat is natuurlijk heel erg, maar dan ben je nog samen en vang je elkaar op. Maar als je vrouw overlijdt dan sta je alleen en kun je het verdriet met niemand delen. Mijn beide meiden zijn een paar maanden bij me gebleven, maar ja, die hebben een zaak op Terschelling en moesten dus weer terug. Ze wilden me meenemen maar dat zie ik niet zitten. Ik wil niet afhankelijk van hen zijn. Het was trouwens maar goed dat ze in het begin bij me bleven want anders had ik me van kant gemaakt.' Jacob en Annie schrokken van zijn verhaal maar konden zich er wel wat bij voorstellen. 'Dat is je schoonvader toch ook overkomen,' zei Annie, 'ja, daarom begrijp ik dat nu ook beter, zei Gerrit. Nadat Marie aan een hartstilstand was overleden vonden ze Piet een week na de begrafenis, in de koelcel van de slagerij. Hij had zich opgehangen aan een vleeshaak. Ja, nu begrijp ik dat wel.' Om het verhaal een andere wending te geven zei Jacob, 'Heb je belang bij die boot.' 'Ja, ik kan hier niet langer zijn en daarom wil ik wat anders, en met zo'n boot zou dat kunnen. Zou je erop kunnen wonen?' mijmerde Ger. 'Jazeker, er zijn drie slaapplaatsen en een flinke keuken plus een ruime stuurhut. Wil je hem bekijken?' vroeg Jacob. Dat wilde Gerrit wel. Ineens begon zijn plan gestalte te krijgen. De boot viel van binnen geweldig mee. Er was ruimte zat en er stond een zes-cilinder Volvo diesel in. Prima onderhouden. Ze gingen een stukje varen zodat Ger kon zien wat de boot kon en of het hem beviel. Jacob stuurde de haven uit en voer het wad op en gaf flink gas. Hij sneed als een mes door de golven en stuurde net zo gemakkelijk als een auto. 'Nou, je hebt hier wel de ruimte.' Gerrit voelde zich een echte zeeman zo aan dat stuurwiel. Na een uurtje varen waren ze weer terug bij de werf en was Gerrit overtuigd. Dit was wat voor hem. Jacob wilde hem voor de zelfde prijs overdoen als hij er voor had betaald. De boot moest twaalf duizend gulden kosten en dan mocht Gerrit hem op de jachtwerf opknappen. Hij wilde er nog even over nadenken, maar toen hij 's avonds thuis er over na had gedacht, besloot hij de boot te kopen. Hij moest wel een klein vaarbewijs halen. De boot was vijftien meter lang en daar mocht je met een klein vaarbewijs mee varen. Dat was volgens Jacob niet zo moeilijk te halen. Dat moest in een half jaar wel te doen zijn. Hij moest toch eerst de boot opknappen en dat duurde wel een halfjaartje.
Toen
Gerrit de volgende dag op de werf kwam om de koop te sluiten vroeg
Annie wat hij met zijn huis ging doen en of hij dat eerst aanhield.
'Nee,' zei Gerrit, 'ik zet het huis te koop, want ik kom hier direct
niet weer terug in Harlingen.' Nou dan wist Annie wel een koper. Hun
dochter verkeert met een zoon van een aannemer, waar hij uitvoerder
was. Ze hadden trouwplannen. Ze vroeg wat het huis op moest brengen.
Dat wist Gerrit nog niet, maar hij wilde het wel laten taxeren door
een makelaar. Ze moesten het eerst maar eens komen bekijken. Ze
lieten er geen gras over groeien want de volgende dag waren ze er al.
Ze vonden het geweldig en maakten al plannen voor de grond wat erbij
hoorde. Het meisje was gek van paarden en daar was mooi ruimte voor.
In de schuur kon dan een stal worden gemaakt. Dat een paard een dure
hobby is kwamen ze later wel achter. Maar ze werkte in het
gemeentehuis en dat betaalde wel goed.
De makelaar kwam en schatte het geheel op zo'n 60 á 65.000 gulden en dat viel Gerrit niet tegen. Hij vroeg dus 65.000 gulden aan de jongelui, dan konden ze ook nog wat afdingen want 60.000 gulden was Gerrit wel genoeg. En zo ging het ook. Ze waren blij dat ze er 5.000 af kregen en Gerrit was tevreden. Over een half jaar zou hij de woning overdragen aan de jongelui.
Hoofdstuk 16
De boot werd droog gezet en Gerrit begon hem van binnen op te knappen. Tegelijk begon hij met de cursus voor het vaarbewijs. Zijn vriend hielp hem daarbij. In het voorjaar was hij van binnen klaar en toen het beter weer werd begon hij met de buitenkant. Eerst werd de boot helemaal schoongeborsteld en daarna begon het schilderwerk. Alle dagen was hij op de werf te vinden en hij had zodoende mooi afleiding. Eind mei was het werk klaar en zag de boot er piekfijn uit. Over de naam hoefde hij niet lang na te denken. Met sierlijke letters schilderde hij 'GEA' op de zijkanten. Alles wat in de boot paste nam Gerrit mee en de rest haalden de meiden op en wat ze niet konden gebruiken ging naar de inbreng winkel 'De lege knip'.
Gordijnen en vloerbedekking mocht hij achterlaten want de jongelui moesten zuinig beginnen. Een paard kost ook nogal wat.
Gerrit ging, voordat hij wegging, een paar dagen naar Terschelling om afscheid van zijn dochters te nemen. Daarna langs al zijn vrienden en familie en niet te vergeten naar de haven waar hij zijn halve leven had gewerkt. Veel oude collega's waren er niet meer en met de jongeren had hij niet zo veel. Alleen de directeur had een beetje moeite met zijn afscheid. Ze kenden elkaar zo goed en hij wist wat Gerrit had meegemaakt en waarom hij vertrok. Gerrit haalde met gemak zijn vaarbewijs en was klaar voor het avontuur. De boot werd met veel vertoon te water gelaten na gedoopt te zijn door Annie met een goedkope fles witte wijn. Twee juni was het zover. 's Morgens ging Gerrit met een grote bos bloemen naar het kerkhof om afscheid te nemen van Gea en van zijn zoon Jan. Meer dan een uur kostte hem dat. Bij het hek keek hij nog één keer om voordat hij naar zijn boot ging. Van tevoren had hij alles geregeld bij de bank. De helft van de opbrengst van het huis werd overgeschreven naar zijn dochters. De rest van het geld en zijn A.O.W. kon hij overal bij iedere Rabobank opnemen.
Het was wel even wennen op zo'n boot te leven maar Gerrit paste zich snel aan. Hij ging eerst zuidwaarts. Op de kaart, welke hij zich had aangeschaft, kon hij gemakkelijk de route uit stippelen. Zo voer hij over de Maas naar België en via noord Frankrijk richting Duitsland. Het was al in de nazomer toen hij over de Rijn bij Lobith Nederland weer binnenkwam en belandde net in de voorwinter, langs de binnenwateren in Meppel. Er moest wat aan de boot worden gelast en dus zocht hij een scheepswerfje en belande bij een ouder paar die met hun twee zoons een werfje hadden. Hij kon daar wel overwinteren, hielp wat op de werf en bracht vele avonden bij de familie door. Prima lui en het viel hem bijna zwaar om in het voorjaar te vertrekken.
Zo zwierf Gerrit de hele zomer door het land. Als het hem ergens beviel dan bleef hij een week, bekeek de omgeving op zijn fiets en vertrok weer. Het lijkt mooi zo'n vrij leven maar het is een eenzaam bestaan. Als hij 's avonds alleen in de stuurhut zit en naar de foto van Gea kijkt dan zit hij vaak te janken van verdriet. Zo is hij op deze mooie dag in Augustus van Ossenzijl via Kallenberg op weg naar Steenwijk met de bedoeling om na het weekend door te varen naar Meppel. Bijna was dat niet doorgegaan vanwege het gemijmer over zijn verleden. Enfin, het was net goed gegaan en toen hij bekomen was van de schrik na de bijna aanvaring maakt hij het touw los van de boom en zet koers naar Steenwijk.
Deel 2
Hoofdstuk 1
Bij de veevervoerfabriek in Steenwijk ligt een groot schip half geladen voor de wal. 'DE VOSSEN 1232 ton'. Dat is voor deze wateren een groot schip met een wat vreemde naam, het werd later duidelijk wat dat betekende. In de grote stuurhut zit een gezette vrouw met een fles jenever en een romertje voor zich op tafel. Ze kijkt op van het boek dat ze aan het lezen is en haar ogen dwalen over het kanaal richting Kallenberg. In de verte ziet ze een bootje naderen. Ze pakt de verrekijker erbij en ziet een wat vreemde boot. Het lijkt een boot van de Provincie of Waterstaat maar dan in heel andere kleuren. Ze kent alle boten want ze is haar hele leven op het water geweest maar deze komt haar onbekend voor. Enfin, hij komt vanzelf dichterbij en dan kan ze het beter zien. Ze neemt nog een borrel en denkt aan het leven wat achter haar ligt.
Zesenvijftig jaar geleden op een tjalk geboren. Haar vader was een Groninger en haar moeder een Friezin. Een halfbloed dus. Een broertje of zusje zat er voor haar niet in. Ze is altijd alleen gebleven. Haar ouders hadden geen tijd voor meer kinderen en haar moeder hield ook niet van dat gedonder. Ze hadden wel wat anders te doen, het was hard werken en Antje was nog maar een kind toen ze al mee moest helpen laden en lossen. De aandacht waar een kind om vraagt kreeg ze niet, alleen maar werk. Ze was blij dat ze naar het schippersinternaat in Groningen moest, want kinderen van schippers waren ook leerplichtig en moesten tijdens schooltijd in het internaat. Dat was een school met pension ineen. Soms, als haar ouders met het schip in de buurt waren, kon ze een weekeinde aan boord blijven. Daar was ze niet zo blij mee, veel liever was ze bij de kinderen op school.
Haar ouders genaamd Albert Rozema en Hendrikje Meter voeren meestal met turf en kolen maar ook wel met bieten naar de suikerfabriek in Groningen. Met hun tjalk van ruim 100 ton konden ze overal komen. Antje kon goed leren en wilde na de lagere school graag hogerop. Zoals de Mulo maar dat zagen haar ouders niet zitten. Ten eerste omdat ze het schoolgeld niet konden betalen en dat niet alleen, maar ze moest dan ook op kamers. Daar kwam nog bij dat ze dringend een schippersknecht nodig hadden en dus moest Antje terug aan boord. In de loop van de tijd werden de verdiensten met kleine schepen steeds minder en moest er een groter schip komen. De bank wilde wel lenen want er was wel werk voor schepen van 1000 ton en meer. Dus werd er omgekeken naar een groter schip.
Toen Albert dan ook in de 'Schuttevaer' las dat er bij een werf in Hoogezand met veel tweedehands schepen, een schip te koop lag, ging hij er op af en kocht een Groninger aak van 1120 ton. Dat was een groot schip in die tijd en zeer gewild bij verschillende scheepsbevrachters. Toen kwamen ze ook regelmatig in Rotterdam of Antwerpen en soms ook in Bremen. De vrachten waren heel divers. De ene keer vervoerden ze hout, een andere keer kunstmest of meel. Het werk aan boord werd minder zwaar. Overal stonden kranen, maar dat betekende ook dat het veel sneller ging. Voorheen lagen ze soms wel een week voor de wal, maar nu waren ze meestal na een dag weer leeg en voeren ze alweer. Dat kwam het sociale leven niet ten goede. Antje kreeg dan ook weinig kans om uit te gaan en eens een jongen te ontmoeten. Het was alsmaar varen, varen, van hot naar her. Totdat ze in een strenge winter in Rotterdam vast kwamen te liggen. Antje was net achttien jaar geworden.
Op een goeie dag ontmoette ze een jongen, die met haar terug uit de stad naar de haven kwam. Zijn ouders lagen ook met hun schip in de haven. De volgende dag struinde hij al in de buurt van hun schip rond en vroeg haar mee te gaan naar de film. Toen ze 's avonds terug kwamen was het al donker en leerde hij Antje het vrijen. De dagen daarna kwam hij steeds vaker en werd ze echt verliefd op Jan, zo heette hij. Jan Vos, zesentwintig jaar al en hij had al enige ervaring met meisjes. Hij had al gauw door dat Antje zo groen als gras was en maakte daar dankbaar gebruik van. Antje wist echt van niets. Nooit had haar moeder haar iets verteld over liefde of over seks. Dat was taboe en werd niet over gesproken. Ze was ook nogal overstuur geweest toen ze voor het eerst ongesteld werd. Ze had gedacht aan één of andere ziekte toen haar broekje rood werd van 't bloed. Blij werd ze niet toen haar moeder haar vertelde dat alle vrouwen dat krijgen en dat het iedere maand terug komt. Wat moeder haar niet vertelde was dat ze vanaf die dag ook vruchtbaar was en dus wat voorzichtig met jongens om moest gaan. Maar ja, ze ging nooit met jongens om dus zag haar moeder de noodzaak van voorlichting ook niet in. Ook niet toen Jan in 't spel kwam. Die zag zijn kans schoon toen zijn ouders een middag op visite gingen. Hij nam Antje mee naar hun schip waar hij voorop een kamertje had. Het duurde niet lang of ze belanden in bed en werd Antje ontmaagd. Over de kans om zwanger te worden had ze nog nooit gehoord.
Hoofdstuk 2
Na die eerste keer volgen er meer en moeder merkte al gauw dat haar dochter niet meer ongesteld werd en toen ze er Antje op aan sprak kwam de aap uit de mouw. Dat ze met Jan naar bed was geweest en van condooms nog nooit had gehoord. Het leek er dus op dat ze in verwachting was en er werd een bijeenkomst belegd met de ouders van Jan. Dirk en Lien Vos waren geen onbekenden van Antje haar ouders. Heel verstandige mensen die niet gauw in paniek raakten. Ze hadden nog vier kinderen en dus wel wat ervaring. Het kwam hen niet eens zo gek uit dat hun jongste zoon een meisje had al was er een behoorlijk leeftijdverschil. Maar het leek een flinke meid en ze vonden dat Jan zijn verantwoording moest nemen en met Antje moest trouwen. Jan z'n vader kon bij de haven een baan krijgen en dat leek hem wel wat want dan kon zijn zoon het schip overnemen. Hij wilde wel wat rustiger gaan leven ook al omdat twee van hun dochters in Rotterdam woonden en kinderen hadden. Zo konden ze wat meer van hun kleinkinderen genieten. Veel tijd om aan de situatie te wennen kreeg Antje niet. Voor ze het goed en wel besefte was ze getrouwd met Jan. Ze bleef voorlopig nog even bij haar ouders aan boord tot Dirk en Lien een huis hadden in Rotterdam. In de eerste week van juni was het zover dat de jongelui samen op het schip woonden. In feite kwam Antje bij Jan aan boord in de spullen van zijn ouders want geld voor nieuw was er niet. Ze hadden werk genoeg, dus dat kwam wel goed. In het begin was er ook wel wat liefde tussen hen maar toen hun zoon geboren was veranderde Jan langzaam. Steeds vaker zat ze alleen met Dirkje en was Jan de hort op en als ze daar wat van zei werd hij kwaad en zei dat hij niet haar slaaf was. Van lichamelijk contact was al gauw geen sprake meer en ze begon zich meer en meer eenzaam te voelen. Haar enige troost was haar kind. Aan haar ouders had ze ook niet veel omdat het zelden voorkwam dat ze tegelijk ergens lagen te laden of te lossen. Nee, gelukkig was Antje niet. Ze schikte zich in haar lot al had ze zich haar huwelijk heel anders voorgesteld.
Toen Dirk wat groter werd en meer werk met zich meebracht, nam Jan een knechtje aan, zogenaamd om haar een beetje te ontlasten. Ze kwam er al gauw achter dat Jan om heel andere redenen een knecht had aangenomen. Hij had de jongeman in Rotterdam ontmoet toen bij alleen op stap was. Hans kwam aan boord en kreeg het kamertje voorop waar Antje was ontmaagd en hun kind was verwekt. Het was een aardige jongen, heel vriendelijk en een goeie werker. Toen hij een poosje aan boord was begon het Antje op te vallen dat Hans wat vrouwelijks over zich had. Van homo's had ze nog nooit gehoord. Jan kon heel goed met hem overweg en steeds vaker kwam het voor dat Jan 's avonds bij Hans voorop was en Antje alleen in de salon achterop zat. Toen ze er naar vroeg waarom dat was zei Jan dat ze samen zaten te dammen of te kaarten. Ze durfde niet te gaan kijken want ze wist hoe kwaad hij kon worden. Hij begon haar steeds meer te mijden. Ze kookte voor hen en waste hun kleding maar verder had ze weinig omgang meer met Jan. Hij bemoeide zich ook weinig met de kleine jongen en ze voedde hem alleen op. Het was voor haar een ramp toen Dirk naar school moest en dus in Rotterdam op het internaat kwam. Toen voelde ze zich helemaal alleen. Ze wilde zo gauw mogelijk een rijbewijs halen want dan kon ze Dirk het weekend aan boord halen. Het lukte haar vrij snel, misschien ook wel omdat ze een vrouw was. Die reden toen nog niet veel in een auto. Antje ging iedere week naar Rotterdam om haar zoon op te halen. Samen zochten ze dan haar ouders op, als die tenminste een beetje in de buurt lagen.
Hoofdstuk 3
Toen
Dirk naar een hogere school moest zocht Antje met hem een kosthuis in
de stad. Ze wilde hem niet op kamers hebben, want er moest een beetje
toezicht zijn, anders kwam er niets van hem terecht. Hij kwam bij een
winkelier in de kost. Die konden wel wat extra's gebruiken. Ze hadden
twee dochters en och, zo'n jongen eet zo mee. Hij kreeg een mooie
kamer en voelde zich al gauw thuis in dat gezin en Antje raakte hem
langzaam aan kwijt. Steeds vaker bleef hij liever weekends in de stad
dan op het schip. Ze hoorden ook van zijn kostmoeder dat hij
bijzonder goed met hun jongste dochter op kon schieten en dat vonden
ze niet zo erg. Het was een flinke jongen en als hij tijd had dan
hielp hij mee in de zaak of bracht bestellingen weg. Toen hij van
school stage moest lopen kwam hij terecht bij een scheepsmakelaar.
Dat leek hem wel wat. Hij was tenslotte een schipperszoon maar varen
wilde hij niet. Hij leerde snel en toen hij klaar was met zijn
opleiding kon hij bij de makelaar in dienst komen. Hij kreeg een auto
van de zaak om schepen te bekijken en met schippers te onderhandelen
over het te kopen of te verkopen schip.
Dirk ontwikkelde zich tot een goede makelaar. Zo nu en dan kwam hij een keer aanwaaien bij z'n ouders en zag dat het niet goed ging. Die leefden steeds meer gescheiden van elkaar en Dirk vermoedde wel wat er was met zijn vader maar durfde er niet met z'n moeder over te praten. Wel had hij er met Evelien over gesproken. Zij was zijn vaste vriendin geworden en toen zijn ouders een weekend in Rotterdam lagen ging hij er met haar naar toe om haar voor te stellen. Antje was er blij mee. Dirk had haar verteld over zijn Evelien en nu wilde ze het meisje ook wel eens zien. Nou, dat viel niet tegen. Evelien was een mooie jonge vrouw, ze was een jaar jonger dan Dirk en ze kwam heel evenwichtig over. Antje vond haar een goede keus. Hij vroeg zich af waar zijn vader was. 'Vast in de machinekamer bij zijn motor want dat is zijn tweede liefde,' zei zijn moeder. Evelien hoorde de bitterheid in haar stem. 'Je ondervindt niet veel liefde van hem hoorde ik van Dirk,' zei ze. Antje barstte in snikken uit. De tranen stroomden over haar wangen. 'Ik heb mijn hele leven nog nooit liefde ontvangen,' snikte ze. 'Het enige geluk dat ik heb is mijn jongen en ik hoop dat die jou ook geluk kan brengen.' Evelien voelde diep medelijden met deze vrouw en besloot haar bij te staan zoveel ze kon. Zij en Dirk kwamen voortaan vaker aan boord van de 'VOSSEN'.
Toen Evelien haar school had afgemaakt kwam ze ook bij de makelaar op kantoor. Daar was niets op tegen want Dirk was toch meestal onderweg en als hij al een paar dagen op kantoor was, behandelden ze elkaar als collega's. Ze hielden trouwens toch niet van dat kleffe gedoe op het werk.
Na twee jaar verkering besloten ze te trouwen en huurden een woning in een nieuwe buurt in Rotterdam. Na bijna een jaar werd hun eerste kind geboren en waren Jan en Antje dus opa en oma. Het was een meisje en werd naar Antje vernoemd. Reuze trots was ze daar op en zo vaak ze kon was ze bij Dirk en Evelien om haar kleinkind te zien op groeien. Ze drukte Evelien op het hart om, zodra het kon, haar kind voor te lichten zodat die niet zou overkomen wat haar was gebeurd en de gevolgen van het gebrek aan voorlichting. Dirk en Evelien bleken goede ouders en er werd nu ook al wat anders met de kinderen omgegaan. Men was veel opener en er kon overal over worden gesproken. Een jaar en twee maanden later werd hun tweede kind geboren en zei Evelien tegen Dirk 'Nu moeten we voortaan maar wat voorzichtiger te werk gaan want als het zo doorgaat dan wordt ons huis te klein.' Het was een jongen en meer soorten zijn er ook niet. Dick werd zijn naam, naar Evelien haar vader vernoemd.
Hoofdstuk 4
Naarmate
de jaren verstreken werd de afstandelijkheid tussen Jan en Antje
steeds groter. Hoewel ze vaak samen of met hun drieën in de stuurhut
bij elkaar waren spraken ze bijna niet meer tegen elkaar. Vaak bleef
Jan ook 's nachts bij Hans voorop. Evelien kwam ook minder vaak. Met
twee opgroeiende kinderen had die thuis wel wat anders te doen. Zij
had ook niet de beschikking over de auto, hoewel ze wel haar
rijbewijs had gehaald. In het weekend kwamen ze wel regelmatig aan
boord en dan kon Evelien haar rijvaardigheid een beetje onderhouden.
Antje was blij met de bezoekjes. Dat waren voor haar gezellige
middagen en voelde zich verdrietig als ze 's avonds weer vertrokken.
Toen de kinderen naar school gingen pakte Evelien haar werk weer op.
Haar ouders hadden de zaak verkocht en woonden nu bij hen in de
buurt. Zodoende konden die regelmatig oppassen. Ze wilden toch graag
wat om handen hebben want na een werkzaam leven valt het niet mee om
stil te zitten. Antje was jaloers op hen.
Op een woensdagmiddag in juni zat Antje in de stuurhut naar de beide mannen te kijken hoe die het dek aan het schoon spuiten waren. Het schip was 's morgens geladen met schroot uit een zeeschip afkomstig uit Argentinië. Schroot is een grondstof voor veevervoer en stuift verschrikkelijk en dat stof moet dus weer worden verwijderd. Zij had zelf de roef en stuurhut schoongespoten, maar het dek was voor de mannen. De lading was bestemd voor de veevervoerfabriek in Steenwijk en ze wilden vanmiddag nog varen. Plotseling zag ze Jan in elkaar zakken op de luiken. De waterslang schoot uit zijn handen en slingerde over het dek heen en weer. Ze stond als verstijfd te kijken hoe Hans de pomp stopte en naar Jan toe rende. Hij zakte op zijn knieën naast hem en begon aan hem te trekken en te duwen. Toen stak hij zijn beide handen omhoog en keek vertwijfeld naar de stuurhut. Antje kwam langzaam in actie en liep naar buiten. 'Hij is dood, hij is dood,' hoorde ze Hans roepen. Toen ze bij hem kwam zag ze inderdaad dat Jan niet meer leefde. Ze stond erbij en het deed haar niets. Rustig zei ze, 'Ga maar naar het havenkantoor en laten ze daar een dokter bellen. De dokter kwam en stelde het één en ander in werking. Er kwam een lijkwagen en voerde het lichaam af naar de aula in de stad. Antje belde naar Dirk. Evelien nam de telefoon op en zij hoorde het verhaal aan. Ze merkte weinig emotie in de stem van haar schoonmoeder. Ze kon het zich wel voorstellen. Hans is wel behoorlijk overstuur. Antje vangt hem zo goed mogelijk op. Hij kon er ook weinig aan doen dat hun relatie zo slecht was. Dirk kwam en regelde alles zo goed mogelijk. Na de begrafenis zijn ze bij elkaar aan boord bij Antje om te overleggen wat er moet gebeuren. Er is uit Steenwijk al gebeld wanneer hun vracht schroot komt. Er moet worden gevaren. Het leven gaat door. Antje wordt het met Hans eens dat ze samen de vracht op bestemming brengen en zo komen ze twee dagen later in Steenwijk aan. In de verte zien ze een rookpluim boven de fabriek hangen. Als ze aanleggen zien ze dat de voorraad silo's in vlammen zijn opgegaan. De brandweer is nog aan het nablussen.
Zodra
het schip is afgemeerd gaat Antje naar het kantoor. De directeur komt
haar al tegemoet en condoleert haar met het verlies van haar man. Ze
merkt op dat ze hem ook haar medeleven betuigt met het verlies van
beide opslagsilo's. De directeur stelt voor om even mee te lopen naar
zijn kantoor om te overleggen wat nu te doen. 'Zoals u ziet zijn de
silo's platgebrand maar gelukkig is de fabriek gespaard gebleven. Het
duurt wel een jaar voordat er nieuwe silo's staan en nu wil ik u een
voorstel doen. Als u met uw schip hier wilt blijven liggen dan kunnen
we die als opslag gebruiken. Over de vergoeding worden we het wel
eens. Wat denkt u ervan.' Antje moest het even op haar in laten
werken en toen kon ze de man wel om de hals vliegen want dit kwam als
een geschenk uit de hemel. Nu hoefde ze niet te varen en toch met het
schip verdienen. Ze stemde gelijk in met het voorstel. Wat het op zou
brengen moest ze maar even afwachten. Voor Hans was het minder goed
nieuws. Hij moest omzien naar ander werk maar och, hij is een flinke
jonge vent, die redt zich wel. Ze betaalt hem drie maandlonen en
schrijft hem een goed ontslagbewijs met de reden van ontslag. Een dag
later vertrekt hij min of meer tevreden naar Rotterdam. Ze brengt hem
naar het station en neemt hartelijk afscheid van hem. Ze heeft
eigenlijk nooit een hekel aan de jongen gehad.
Toen ze terug
kwam bij het schip waren de mensen van de fabriek al druk bezig
voorzieningen te treffen om rechtstreeks uit het schip naar de
fabriek te lossen. Ze zit in de stuurhut en ziet de bedrijvigheid
aan. Dit wordt dus haar leven het komende jaar. Een paar dagen later
komt de directeur bij haar aan boord om haar te vertellen wat ze kan
verwachten aan vergoeding. Het valt haar niet tegen. Met het geld van
de verzekering en het geld van de fabriek kan ze goed leven. De
eerstkomende dagen gaat ze Steenwijk maar eens verkennen. Het is een
mooi stadje en je kan nog goed zien dat het vroeger een vestingstad
is geweest. De stadswallen en vestingmuren zijn er nog. Maar haar
meeste belangstelling gaat natuurlijk uit naar de winkels. Nou, dat
is wel in orde, winkels zat. Ze kan hier haar geld wel kwijt. De
omgeving is ook mooi, alleen moet ze er nog aan wennen om er op uit
te gaan. Dat heeft ze nog nooit gedaan en dan ook nog alleen. Het is
allemaal nieuw. De vrouw van de directeur komt morgen bij haar koffie
drinken om kennis te maken en nodigt Antje ook bij haar uit, als ze
daar behoefte aan heeft. Ze woont bij de fabriek en vertelt dat ze
pas is begonnen met zwemles met nog wat vrouwen uit de buurt. Antje
voelt zich zeer vereerd door de belangstelling en zegt toe mee te
gaan. Zo komt ze er meteen een beetje tussen want het wordt een saai
leven hier. Dat zwemmen is fantastisch. Ze had nog nooit een badpak
gehad en gezwommen al helemaal niet. Geweldige uren waren het en ze
lag 's avonds op de vloer te oefenen want ze wilde het zwemmen snel
onder de knie krijgen. Na een half jaar had ze diploma A te pakken en
ging ze voor B.
In het weekend kwamen Dirk en Evelien met de
kinderen meestal en dan was het feest met lekker eten en een flesje
wijn op tafel. Steeds vaker had Antje door de week ook een fles wijn
op tafel en langzaam aan werden het twee flessen in de week en ging
ze over op wat sterkers zoals Jägermeister of Berenburg. Wat wil je
ook als je zit te vervelen in je eentje. Een maaltijd koken voor haar
alleen kwam er ook steeds minder van en haalde ze wat uit de stad. Ze
begon zich zelf te verwaarlozen en ze hoefde niet op de weegschaal te
gaan staan om te weten dat ze almaar zwaarder werd. Toen ze diploma B
had gehaald hield ze op met zwemmen want ze schaamde zich in haar
zwempak en werd het contact met de vrouwen ook minder. De enige
aanspraak die ze had was met de mannen van de fabriek en éénmaal in
de vier of vijf weken kwam er een schip om haar schip weer te laden.
Evelien zag dat het niet goed ging met Antje maar ze woonden te ver
af om regelmatig bij haar te komen. Dirk stelde haar voor om een huis
in Rotterdam voor haar te zoeken, maar ze moest er niet aan denken.
Ze was een schipperskind en wilde op het water blijven. Daarbij wilde
ze absoluut niet afhankelijk zijn of medelijden opwekken bij de
kinderen. Zo ging de tijd voorbij en het leek er niet op dat ze gauw
werkloos zou worden met haar schip.
Het schoot geen mieter op
met de bouw van de nieuwe silo's. Er moest opnieuw een vergunning
komen en er waren nogal wat bezwaarschriften. De tegenslag voor de
fabriek was in het voordeel van Antje. Iedere keer als haar schip
geladen was spoelde ze het dek schoon en als ze dan bezig was dacht
ze aan Jan en zag hem weer in elkaar zakken en hoopte dat het haar
ook zou overkomen. Dan was ze van alles af. Ze had zelfs wel eens
overwogen om over boord te springen maar daar was moed voor nodig dat
ze niet had en dus pakte ze nog maar een borrel. Dat hielp ook een
beetje al wist ze dat het de verkeerde kant op ging.
Hoofdstuk 5
Ze schrikt op uit haar gemijmer en kijkt op de klok. Half vier en haar ogen dwalen weer over het water en ze ziet dat de boot al dichtbij is. Ze heeft nu geen kijker meer nodig om te zien dat het inderdaad zo'n boot is van de 'Waterstaat' alleen in andere kleuren geschilderd. Terwijl ze zo zit te kijken valt het haar op dat de boot niet het kanaal volgt maar recht op haar schip aanstuurt en dus van plan is hier af te meren. Met meer dan normale belangstelling slaat ze het gedrag van de schipper gade.
Gerrit,
want die is het met zijn boot 'GEA' denkt dat dit een mooi plekje is
om het weekend door te brengen want in de stad is het maar afwachten
of er nog een plek is en draait de boot voor de boeg van het schip.
Hij leest 'DE VOSSEN' op de zijkant en die naam komt hem niet
onbekend voor. Maar ja, hij heeft zoveel schepen gelost in Harlingen.
Het is trouwens wel een aparte naam. Gerrit legt de boot vast en
schuift de loopplank uit, brengt zijn fiets aan de wal en zet hem
tegen het hek van het fabrieksterrein. Antje is ondertussen op haar
bootschoentjes door het gangboord naar voren gelopen om te zien wie
daar dan wel van boord komt. Als ze ziet dat de man zijn fiets
klaarzet en dus kennelijk naar de stad wil, loopt ze snel weer naar
achteren en leunt tegen de stuurhut als hij langs het schip over het
smalle pad naar de weg loopt. Hij ziet de vrouw staan en roept, 'Dag
buurvrouw, tot hoe laat zijn hier de winkels open op zaterdag?' 'Tot
vijf uur' zegt Antje. Gerrit kijkt op zijn horloge en ziet dat het
vier uur is en zegt, 'Dan kan ik nog mooi even wat boodschappen
halen,' en stapt op de fiets. Antje kijkt hem na tot hij uit zicht is
en loopt nog een keer naar voren om te zien of er nog volk aan boord
is. Ze staat een poosje op de voorplecht maar ziet de boot niet
bewegen. Dan maar even aan wal kijken, want ze is toch nieuwsgierig
naar wat voor een boot dit is. Goh, wat een mooie boot, piekfijn in
de verf en in mooie letters de naam 'GEA' op de plecht. Ze zit later
in spanning op de terugkomst van de man te wachten. Het is bijna vijf
uur als Gerrit weer aan komt fietsen. Antje staat in de deuropening
als hij van de fiets stapt. 'En, is het gelukt?' 'Ja,' antwoord
Gerrit, 'nu kom ik het weekend wel door. 'Ben je alleen aan boord?'
hoort Antje zichzelf zeggen. Ze schrikt er zelf van maar Gerrit merkt
het niet en zegt, 'Ja, ik moet een beetje voor mezelf zorgen want een
ander doet het niet.' Ze denkt, dat moet ik ook, en zegt, 'Als je zin
hebt in koffie dan zet ik wat.' 'Nou dat sla ik niet af, maar ik moet
me eerst een beetje opknappen want ik vaar al de hele dag. Over een
half uurtje, is dat goed?' vraagt Gerrit. 'Ja hoor dan is de koffie
bruin.' Vlug gaat Antje naar beneden om koffie te zetten en haarzelf
ook wat toonbaar te maken. Ze schrikt als ze in de spiegel kijkt. Wat
een verlept hoofd om van de rest maar te zwijgen. In de stuurhut
maakt ze de tafel ruim en bergt de fles en het glaasje maar op.
Even over vijven stapt Gerrit bij haar aan boord. Hij geeft
haar een hand en stelt zich voor. Gerrit Blok uit Harlingen en geeft
haar een bosje rozen wat hij had meegenomen. Zij zegt, 'Ik ben Antje
Vos' en kijkt met verbazing naar de bloemen. Gerrit ziet haar
verbaasde blik. 'Dit stelt niks voor, hoor want tegen het aflopen van
de markt krijg je twee bossen voor de prijs van één en ik heb aan
één bos op tafel genoeg, vandaar.' Ze neemt de bos bloemen aan en
zegt 'Wil je wel geloven dat dit het eerste bos bloemen is wat ik van
een man krijg.' 'Dat meen je toch niet. Heb je geen man die je eens
een bloemetje mee neemt?' Antje schiet vol en de tranen lopen haar
over de wangen. 'Neem me niet kwalijk, wat heb ik verkeerd gedaan.
Het was niet de bedoeling om je aan het huilen te maken,' zegt Gerrit
geschrokken. 'Let er maar niet op,' zegt Antje 'ik zit de laatste
tijd wat met mezelf in de knoop. Maar daar kan ik een wildvreemde
niet mee lastig vallen, vergeet het maar, en nog bedankt.' Ze loopt
het trapje af om koffie te halen.
Dat geeft Gerrit de gelegenheid om eens wat rond te kijken. Toen hij hier binnenkwam had hij duidelijk een dranklucht geroken en nu hij over de tafel kijkt ziet hij de ringen van de fles en de glaasjes op het blad. Deze vrouw drinkt niet alleen maar koffie, dat is duidelijk. Verder is het hier ook lang niet schoon. Antje komt de trap weer op met de koffie en een schaal koekjes en schenkt in. Dan haalt ze de vaas met rozen en zet hem op tafel. Gerrit neemt haar op terwijl ze bezig is. Ze ziet er moe en uitgeput uit en voor haar lengte van ongeveer 1.70 cm ook veel te zwaar. Hij is 1.78 cm en 70 kilogram maar zij is toch zeker 25 á 30 kilo zwaarder. Voorzichtig komt hij terug op haar emotie bij het zien van de bloemen. Ze geeft wat ontwijkend antwoord maar na een beetje aandringen begint Antje te vertellen over haar leven. Hoe ze altijd heeft gegeven maar nooit terug heeft gekregen. Dat ze bij haar ouders altijd knecht is geweest en nooit als kind een knuffel of een lief woord kreeg. Hoe ze aan haar man is gekomen en door hem is gebruikt als zijn huishoudster en werkster maar niet als vrouw. En hij met zijn knecht voorop het schip woonde en zij achterop. Dat hij na de geboorte van hun zoon haar nooit meer heeft aangeraakt. Tranen stromen over haar wangen terwijl ze zich verontschuldigd. Gerrit legt zijn hand op haar arm en zegt, 'Meid, het is juist goed dat je het verteld, dat lucht op. Hoe lang ben je met hem getrouwd geweest?' 'Dirk is nu achtendertig jaar en we moesten trouwen, dus dan weet je het wel.' 'Je zegt dat hij je nooit weer heeft aangeraakt en dus nooit weer seks hebt gehad met hem. Hoe is het mogelijk. Was hij homofiel?' vraagt Gerrit. 'Ja, dat wist ik niet toen ik hem leerde kennen. Ik had daar nog nooit van gehoord en wist niet wat dat was. Hij moest van zijn ouders zien dat hij een vrouw kreeg want die wilden aan de wal en hij was al zesentwintig. En ik was een makkelijke prooi want ik was achttien en wist nog van niks. Mijn ouders hadden mij nooit iets verteld. Toen we getrouwd waren werd ik gewaar hoe hij was. Ik heb ook geen verdriet gehad toen hij op het dek in elkaar zakte. Maar dan blijf je alleen achter en dan moet je maar zien hoe je het rooit.' Gerrit hoorde het verhaal aan en kreeg ontzettend medelijden met de vrouw. Haar halve leven samengewoond met een man die haar als voetveeg gebruikte. 'Waarom liep je niet weg?' Ze kijkt hem met betraande ogen aan en zegt, 'Waar moest ik naartoe. Ik had niets meer. Van mijn ouders had ik niets te verwachten en mijn zoon heeft een eigen leven. Die wilde ik niet opzadelen met mijn problemen.' Gerrit probeerde zich voor te stellen wat deze vrouw in haar leven al had meegemaakt. Het leven was aan hem ook niet geruisloos voorbij gegaan maar hij had in ieder geval geluk gehad en liefde ontvangen. Tranen vulden zijn ogen en toen Antje dat zag zei ze, 'Nou heb ik jou mijn verdriet aangepraat, daarvoor heb ik je niet uitgenodigd. Het spijt me.' 'Hoe kom je erbij je daarvoor te verontschuldigen. Het is goed om het van je af te praten, dat lucht op en ik ben blij jou klankbord te kunnen zijn. Dat is een teken dat je mij vertrouwd en dat vind ik fijn,' merkte Gerrit op. Het was wel zo, ze vertrouwde hem volledig. Ze keek op de klok en hij volgde haar blik. 'Ja, ik moet nog wat eten maken' zei Gerrit en wilde weggaan maar daar was Antje het niet mee eens. 'Je moet nu niet weggaan, jij blijft, we kunnen wat eten halen want ik wil ook over jou leven horen.' Samen gaan ze naar het cafetaria in de stad met Antje haar auto. Gerrit krijgt het idee dat ze vaste klant is en nooit wat voor zich zelf kookt. De patat met mayonaise en een gehaktbal smaken prima en het is al bijna twaalf uur als Gerrit opstapt en zegt, 'Morgenvroeg om een uur of tien heb ik de koffie klaar en verwacht ik je bij mij aan boord.' Het klink haar als muziek in de oren. Eindelijk iemand die wat aandacht voor haar heeft.
Hoofdstuk 6
De hele nacht heeft Antje aan die man liggen te denken. Ook Gerrit laat haar verhaal nog eens door zijn gedachten gaan en besluit haar morgen een fijne dag te bezorgen. Antje is 's morgens al vroeg op, gaat uitgebreid onder de douche, trekt haar mooiste rok en blouse aan en staat een kwartier voor de spiegel om nog een beetje model in het haar te krijgen. Ze is al heel lang niet naar een kapper geweest en dat is te zien. Even over tien stapt ze bij Gerrit over de loopplank en blijft verwonderd staan als ze de salon binnen komt. Alles glimt en blinkt en is zo schoon. Ze kijkt haar ogen uit. 'Voor we aan de koffie gaan zal ik je eerst mijn bootje even laten zien,' zegt Gerrit. Ze weet niet wat ze ziet, zo mooi. Wat is het dan bij haar een bende. Haar oog valt op een grote foto van Gerrit, Gea en hun drie kinderen. 'Dan moet dat Gea zijn waar je boot naar genoemd is.' Gerrit verteld over zijn gezin. Over de prachtige jaren samen met Gea en later met de kinderen. Maar ook over de rampen die hen zijn overkomen. En vooral over het verlies van zijn vrouw. Antje hoort de droefheid in zijn stem en ziet de tranen in zijn ogen. Hij schaamt zich niet om zijn emoties te tonen. 'Heb je haar liefgehad?' Antje weet dat dit een overbodige vraag is. 'Ja, ik heb haar ontzettend lief gehad. Ze was echt mijn maatje en een geweldig moeder voor onze kinderen. Maar ook een sterke vrouw die precies wist wat ze wilde en kon heel goed met mensen omgaan. Dat had ze thuis geleerd in de winkel.' Wat is het toch fijn als je zo wordt gewaardeerd, dacht Antje. Zij had dat nooit gekend.
Het is al over tweeën als Gerrit voorstelt om de stad in de gaan en ergens wat te gaan eten. 'Ik ben niet zo'n beste kok en zal je mijn kookkunsten maar besparen. Dat wil ik je niet aandoen en daarom trakteer ik vandaag.' Ze gaan op de fiets, zoeken een klein eethuisje en zitten even later achter een glas wijn terwijl de kok hen wat lekkers bereid. Antje heeft de mooiste dag van haar leven en laat dat ook duidelijk blijken. Ze straalt en moet haar beheersen hem niet om zijn hals te vliegen. Na het eten fietsen ze een eindje rond. Hij neemt haar mee naar Tuk, een gehucht vlak bij Steenwijk bekend om zijn 'berg'. Gerrit is hier vaker geweest maar Antje weet niet wat ze ziet. Zo dichtbij en zo mooi. Het is net of je in Oostenrijk bent alleen zijn hier de bergen wat minder hoog. Na twintig kilometer fietsen, met als gevolg een pijnlijk zitvlak, brengen ze de fietsen weer aan boord. Heel de avond zit ze bij Gerrit aan boord en Antje raakt niet uitgekeken op de mooie boot en vooral hoe schoon het is. 'Ik moet een voorbeeld aan jou nemen en mezelf weer oppeppen want zo gaat het de verkeerde kant op.' 'Ja, je hebt nog een heel leven voor je,' zegt Gerrit. 'Hoe oud ben je eigenlijk.' 'Zesenvijftig en over dat leven voor me ben ik niet eens zo blij mee.' Daar weet Gerrit geen antwoord op. Hij kan het zich wel een beetje voorstellen dat ze het zo bekijkt. Als je ongelukkig bent dan valt het leven zwaar. 'En jij dan,' vraagt Antje, 'hoe oud ben jij dan?' 'Ik ben zevenenzestig en ben daar ook niet blij mee. Ik had nog wel wat jonger willen zijn.' Ze lachen en drinken nog een borrel samen. 'En hier moet ik ook mee ophouden want dit begint mijn leven te beheersen,' zegt Antje. 'Nou, nog ééntje dan en dan berg ik de fles op,' zegt Gerrit. 'Hoe laat ga je morgen weg'? wil Antje weten. Gerrit durft eigenlijk niet te zeggen dat hij morgenmiddag weer wil gaan varen. Hij zegt, 'Laten we eerst bij mij nog koffie drinken.' En zo gaat ieder naar zijn eigen slaapplaats.
Gerrit staat zich de volgende morgen al vroeg te scheren als hij de stem van Antje hoort. Het klinkt wat ongewoon. Hij hoort paniek in haar stem. 'Gerrit, Gerrit, ben je al op. Ik ben gevallen,' roept ze. Als hij de deur opent ziet hij direct dat het niet goed met haar is. Met de linkerhand ondersteunt ze de rechterarm en die arm lijkt een beetje geknikt. Hij vraagt wat haar is overkomen. 'Ik stapte uit de stuurhut in het gangboord, zoals ik wel duizend keer heb gedaan maar nu struikelde ik over die hoge drempel en viel ik op de loopbrug,' antwoord Antje. Gerrit schuift een stoel bij de tafel en maant haar te gaan zitten. Hij pakt een langwerpige broodplank, wikkelt er een handdoek omheen, legt een sjaal op tafel en legt de plank er op. 'Als je nu de arm op de plank legt en een beetje voorover buigt, dan kan ik de sjaal achter je hoofd knopen en dan hangt je arm mooi in de ruststand.' Hij handelt rustig, al was het dagelijks werk en zegt, 'Nou meid en nu op naar het ziekenhuis. Even je verzekeringspapieren opzoeken, de boel afsluiten en dan gaan we. Drie kwartier later zitten ze in Meppel in het ziekenhuis bij de eerste hulp. En ze zijn niet de enigen. Er zijn nog vijf voor hen en het wordt dus wachten. Na een half uurtje zegt Antje, 'Ik moet plassen.' 'Nou om de hoek heb ik een wc gezien, dus kom maar, ik help je wel even.' Gerrit stapt met haar de wc in en helpt haar uit de broek, reikt haar als ze klaar is een papiertje aan en kleed haar weer netjes aan. Dit gaat zo vanzelfsprekend alsof hij dit al jaren had gedaan. Een uur later zitten ze weer in de auto terug naar Steenwijk. Gerrit neemt wat eten mee uit de stad en even later laat Antje zich voorzichtig in een stoel zakken. Ze legt haar gipsarm op de tafel en zegt, 'Wat nu?' Gerrit zet wat koffie en gaat bij haar zitten. 'Je hebt verschillende mogelijkheden,' zegt Gerrit, 'je kunt je zoon bellen of ze je kunnen gebruiken in Rotterdam of je kunt naar de dokter om een plaatsje te regelen in een verzorgingshuis voor een week of acht. Ik wil je ook wel wat anders voorstellen en dat is dat ik hier bij je blijf tot je weer klaar bent. Daar moet je heel goed over nadenken want dat heeft nogal wat gevolgen voor je. Je hebt gemerkt dat je met één hand weinig kunt en dus behoorlijk afhankelijk bent. Dat betekent dus dat ik je uit en aan moet kleden als wildvreemde kerel. Je mag niet onder de douche en dus wassen voor het aanrecht. En dat is nogal wat voor een vrouw dus denk er goed over na. Als je mij vertrouwt dan blijf ik dus bij je en verzorg ik jou en je huishouding.' Antje kijkt hem met grote ogen aan en zegt, 'Meen je dat, dat je hier al die weken bij me wilt blijven?' 'Ja,' zegt Gerrit, 'dat meen ik. Je hoeft niet direct te beslissen. Je kunt er de hele nacht over nadenken want je krijgt toch niet veel slaap vanwege de pijn en ongemak.'
Die dag ondervind Antje hoe het is om je met één hand te moeten redden en dan ook nog de verkeerde. Ze is rechtshandig en die is nou net gebroken. Gerrit moet haar met alles helpen. Hij had gelijk, ze kreeg die nacht weinig slaap en had alle tijd om na te denken. Als ze de andere morgen aan de koffie zitten vraagt Gerrit wat ze heeft besloten. 'Naar mijn zoon kan ik niet,' zegt Antje, 'want die hebben beide een baan en twee kinderen. Naar een verzorgingshuis lijkt mij ook niet ideaal en daarom wil ik jou voorstel graag aannemen.' 'Dat is dan afgesproken,' zegt Gerrit, 'maar je moet me wel een beetje de vrije hand geven. Ik wil hier wel graag het één en ander veranderen.' 'Dat kan ik mij wel voorstellen,' zegt Antje, 'ik heb er een rommeltje van gemaakt en dus wordt het vast beter.'
Gerrit gaat voor haar staan en zegt met de hand op zijn hart, 'Dan beloof ik hierbij dat ik niets zal doen wat jou niet aanstaat. Antje lacht, 'Ik vertrouw je en beloof dat ik zo veel mogelijk zal helpen.
Gerrit begint direct met de schoonmaak en de boel een beetje op orde te brengen. Antje heeft de gewoonte om alles op een hoop te gooien. Lepels, messen, vorken, alles ligt bij elkaar in één keukenla. Dat is Gerrit niet gewend. Hij is nogal een pietje precies en heeft hier dus wel wat te doen. Hij doet het met veel plezier want je kunt zien dat het opknapt. Antje slaat het met bewondering gade. Hoe is het mogelijk dat zo'n man dat voor haar doet. Zij heeft haar hele leven voor een ander gezorgd en nu doet hij dat voor haar. Hij kookt ook wat anders dan dat zij gewend is. Dat wil zeggen, geen vette hap maar gezond voedsel. Dat hij haar helpt met uit en aankleden naar de wc en 's avonds bij het naar bed gaan, daar is ze snel aan gewend. Alleen dat hij elke morgen een schone onderbroek voor haar klaar legt, dat moet wel even wennen. Zij nam dat niet zo nauw, maar Gerrit staat erop. De wasmachine draait wel en het voelt toch ook wel goed met schone kleren 's morgens. Woensdagavond belt ze Dirk om hen voorzichtig op de hoogte te brengen met wat haar is overkomen. Nadat ze het hele verhaal heeft verteld, beloven ze zondag langs te komen om kennis te maken met haar steun en toeverlaat. Ze zijn natuurlijk heel blij dat er iemand voor haar zorgt. Ze zijn zeer benieuwd wat dat voor een man is die zomaar zo'n taak op zich neemt.
Donderdagmiddag moet het er toch maar van komen. Ze ziet er toch wel een beetje tegenop om haar bloot te geven voor een wasbeurt. Hij had gezegd, 'Als jij er klaar voor bent dan zeg je het maar. Ik dring je niets op.' Gerrit legde een grote handdoek op de keukenvloer en zei, 'Nou meid, nou moet het dan toch maar gebeuren. Het is voor mij net zo vreemd als voor jou maar je moet maar zo denken, de eerste keer is het ergste.' Hij helpt haar uit de kleren en zegt, 'Je mag eerst je broekje wel aan houden.' 'Nee hoor,' zegt Antje, 'alles uit dan ben ik er maar door. Je kunt me niet wassen met kleren aan.' En dus staat ze even later spiernaakt voor hem in de keuken. Ze zegt, 'Wat vind je ervan, eerlijk zeggen.' 'Nou meid,' zegt Gerrit, 'je bent dertig kilo te zwaar maar daar is wel wat aan te doen. En wat me ook opvalt, dat je een droge huid hebt. Je ondergoed zit vol schilfers.' 'Ja, dat is ook zo, het is soms net of het sneeuwt. Maar dat is niet zo erg dan die dertig kilo. Dat is er het laatste jaar aangekomen. Ik was inderdaad eerder vijfendertig kilo lichter toen we nog voeren. Het is mijn eigen schuld maar hoe krijg ik het er weer af?' zegt Antje. 'Daar zullen we het straks over hebben. Ik zal je eerst even lekker wassen,' zegt Gerrit, en neemt haar flink onder handen. Ze vind het heerlijk en laat dat ook merken. Als hij klaar is spoelt hij het washandje uit en duwt het haar in de hand en zegt, 'In je kruis moet je zelf maar even doen, dat is mij te intiem.' Hij droogt haar af en helpt haar weer in de kleren. 'Nou, hoe vond je het voor de eerste keer?' Antje antwoordt dat ze het wel een beetje eng vond maar achteraf viel het haar erg mee.
Als ze later aan het avondeten zitten vraagt Antje, 'Wat bedoelde je met, dat er wel wat aan te doen is, aan die vijfendertig kilo?' 'Ik ben geen Sonja Bakker,' zegt Gerrit, 'maar als jij mee wilt werken dan is dat niet zo moeilijk. Er zijn drie dingen die je moet veranderen, ten eerste moet je wat gezonder eten en geen vette hap meer en daar zorg ik voor. Ten tweede moet je meer bewegen. Als je arm wat minder pijnlijk is kunnen we 's middags een eindje gaan lopen en ten derde,' hier wacht hij even en kijkt haar aan. 'Ja,' zegt Antje, 'ik weet het, de drank laten staan.' 'Dat heb je goed geraden, maar het hoeft niet in één keer. Dat gaan we langzaam afbouwen en dan is dat niet zo moeilijk.' Ze kijkt hem aan en zegt, 'Als jij mij wilt helpen dan wil ik er alles aan doen.' 'Dan komt het goed meid, en wat jou droge huid betreft, daar weet ik ook wel wat voor. Elke keer na 't wassen je huid insmeren met amandelolie en je bent er na een paar weken vanaf. Dan heb je een huidje als een baby.' Dat lijkt Antje wel wat. 'Als dat zou kunnen. Waar krijg ik die olie.' 'Bij Kruidvat of Trekpleister,' zegt Gerrit. 'We moeten morgen toch de stad in om boodschappen, dan halen we een fles.' Antje kan niet wachten.Niet alleen om de droge huid, maar door hem te worden ingesmeerd lijkt haar het einde.
Er zijn twee soorten verpakkingen, een groot en een klein flesje. Gerrit raadt haar aan de grote fles te nemen. Hij zegt, 'Jij heb nogal een grote oppervlakte en dan is een klein flesje zo op.' Ze lacht en neemt dus de grote fles. Vrijdagmiddag is het zover. Na het wassen op een grote handdoek, gaat Gerrit haar lekker insmeren met amandelolie. Ze vind het zo heerlijk dat ze spontaan in huilen uitbarst. Gerrit schrikt ervan. 'Ik doe je toch geen pijn?' vraagt hij. 'Natuurlijk niet maar dit is zo gelukzalig, dit heb ik nooit eerder gevoeld. Oh, Gerrit wat ben ik je hier dankbaar voor.' 'Heel graag gedaan, meid, ik vind het ook fijn om te doen. Welke kerel zou dit nou niet willen?' 'Nou, mijn kerel dus niet, maar die kon je misschien ook geen kerel noemen,' zegt Antje.
Hoofdstuk 7
Zaterdagmorgen tien uur staan Dirk en Evelien met hun beide kinderen voor de deur. Gerrit laat hen binnen en stelt zich voor als de huishoudster. Evelien blijft vol verbazing staan. De mond valt haar open en als ze hem weer dicht heeft zegt Antje, 'Kun je zien dat het hier veranderd is?' 'Zijn we hier wel goed?' vraagt Dirk, 'ik herken het hier niet meer.' Gerrit staat er glimlachend bij. Evelien knikt hem dankbaar toe en denkt dat dit misschien wel haar redding is. Antje vertelt nog een keer het hele verhaal. Ondertussen zijn de kinderen aan de wal om Gerrit zijn boot te bekijken want die is veel leuker dan zo'n schip. Als ze later terug aan boord komen zijn ze opgetogen over die mooie boot. 'Wil je hem van binnen ook zien, want dan maak ik de deur even los.' Natuurlijk willen ze dat. Dick is weg van boten en zit aldra achter het stuurwiel. Als Dirk en Evelien komen kijken en vol lof zijn over de boot en vooral hoe alles blinkt en glimt, stelt Gerrit voor om 's middags een eindje te gaan varen. Iedereen is voor en dus gooien ze na het eten de trossen los en varen ze richting Kallenberg. Onder toeziend oog van Gerrit mag Dick sturen. Hij voelt zich een echte zeeman. Als ze langs de plaats varen waar Gerrit bijna onder een schip terecht kwam, vertelt hij hoe dat kwam. Hoe hij over zijn vrouw, kinderen en leven piekerde. Mientje luistert aandachtig en zei, 'Nou snap ik waarom deze boot 'GEA' heet.' 'Ja, en zo is Gea nog altijd bij me,' zegt Gerrit. Het meisje is even stil en zegt dan, 'Misschien heet je volgende boot wel Antje.' Gerrit legt zijn hand om haar schouder en zegt, 'Misschien neem ik er nog wel een boot bij.'
De beide vrouwen wenden hun hoofd af en beginnen over de eendjes en de meerkoeten in het riet. Als 's avonds na het eten er moet worden afgewassen stelt Evelien voor om Gerrit te helpen, dan kunnen moeder en zoon even rustig praten. De kinderen mogen aan boord blijven, waar ze 's nachts ook kunnen slapen. Onder de afwas vertelt Evelien hoe dankbaar ze Gerrit zijn dat hij Antje wil helpen. Zij had niet geweten hoe het anders had gemoeten. 'Ik kon haar niet in de steek laten, dit leek mij de beste oplossing, maar het is voor je schoonmoeder wel een moeilijke beslissing geweest om haar lot in de handen te leggen van een vreemde vent. Daar heb ik geweldig respect voor. Dat is niet makkelijk voor een vrouw.' 'Jij kunt wel eens haar redding zijn want het ging niet goed met haar. Volgens mij drinkt ze ook teveel,' merkt Evelien op. 'Dat is ook zo, maar we proberen dat langzaam op te lossen. Ze wil er zelf ook wel graag vanaf. Dat komt wel goed,' volgens Gerrit.
Als de familie Vos de volgende dag weer terug rijdt naar Rotterdam zijn ze behoorlijk opgelucht. 'Het lijkt me een fantastische vent,' zegt Dirk. 'Het zou mooi zijn als die twee bij elkaar zouden blijven. Dan krijgt mijn moeder tenminste nog een beetje geluk in haar leven en Gerrit kreeg ook wat geregelder leven. Maar ja, dat is niet aan ons om dat uit te maken.' 'Nee, maar we kunnen ze wel een beetje helpen,' zegt Evelien.
Als de pijn wat minder wordt en Antje gewend is aan de zware gipsarm, gaan ze 's middags een stukje wandelen. Dat bevalt prima, alleen heeft Antje niet de goeie schoenen. Op bootschoentjes loop je niet zo ver en dus kopen ze in de stad een paar stevige wandelschoenen. In't begin lopen ze korte stukjes, maar het duurt niet lang of ze stappen zo vijf kilometer en die vijf worden tien. Antje merkt al gauw dat haar broek ruimer wordt. Ook kan ze steeds langer met een fles drank toe en begint er in te geloven dat het gaat lukken om die vijfendertig kilo weer kwijt te raken. Gerrit ziet de vrouw op bloeien. Als ze op een avond zo bij elkaar zitten en naar hun lievelingsmuziek luisteren zegt Gerrit, 'Weet je wat jij moet doen. Je moet een afspraak maken met de kapper.' Antje belt de volgende morgen de kapper en kan 's middags komen. Gerrit brengt haar met de auto en zegt, 'Als je klaar bent, bel je maar, dan haal ik je weer op.' Antje belt niet, maar loopt terug. 'Tjonge, dat is een heel ander gezicht. Je wordt met de dag mooier,' zegt Gerrit en hij meent het echt. Als Dirk en Evelien vrijdags komen merkt Evelien op dat het toch een wonder is dat een mens zo kan veranderen door wat aandacht en belangstelling. Ze kent haar schoonmoeder bijna niet weer. Van een uitgebluste sloof tot een bloeiende vrouw. Als ze Gerrit helpt met de afwas, prijst ze hem nog maar eens en probeert hem voorzichtig te overtuigen dat hij maar beter bij haar kan blijven. 'Dat beslis ik niet,' zegt Gerrit, 'als Antje straks weer klaar is, wil ze mij misschien niet eens meer.' 'Denk je dat werkelijk?' 'Man, ze is smoorverliefd op je,' zegt Evelien. 'Ja, dat is mooi gezegd, daar moeten we dan maar goed met elkaar over praten. Hoe denkt Dirk daar over als ik me hier de familie binnendring. Antje heeft een groot schip van meer dan een miljoen en ik een klein bootje,' zegt Gerrit. 'Daar zullen we het vanavond over hebben, Gerrit. Ik weet hoe Dirk daar over denkt.'
Als de kinderen naar bed zijn, in de boot, begint Evelien erover. Ze wil weten hoe Antje er over denkt. Die vertelt met tranen in de ogen hoe graag ze zou willen dat Gerrit bij haar zou blijven. Dirk is het daar roerend mee eens maar merkt op dat het natuurlijk niet aan hen is om dat te beslissen. Gerrit blijft voorzichtig en stelt voor dat ze na de winter beslissen. Hij zegt, 'Stel je voor dat we niet op kunnen schieten als we de hele winter op elkaars lip zitten. Ik stel voor dat we het uitstellen tot onze verjaardag in maart. Dat is voor mij twaalf maart en voor Antje dertien. Dan kennen we elkaar wat beter'. Daar drinken ze op. Dat het anders zal lopen dat weten ze dan nog niet.
Hoofdstuk 8
Antje begint naar de dag te verlangen dat het gips van haar arm kan. Het zit er nu zes weken om en het voelt steeds beter. Gerrit raad haar aan om flink te oefenen met die hand en arm zodat de spieren een beetje soepel en stevig worden want daar heeft ze straks voordeel van. Ze volgt trouw zijn raad op. Ze voelt zich steeds sterker tot Gerrit aangetrokken en hoopt hem voor zich te winnen. Zijn medelijden voor haar wordt langzaam een soort liefde, al zal hij zijn Gea nooit vergeten. Vrijdag is meestal de dag dat hij Antje vertroeteld met een wasbeurt en massage. Heel de dag heeft Antje een vreemd onbestendig gevoel. Ze verlangt er naar haar voor hem uit te kleden. Schamen doet ze zich niet meer voor hem. Ze zit ook steeds beter in haar vel, want dat wordt ook steeds ruimer. Twintig kilo is ze nu al kwijt en ze denkt al aan nieuwe kleren. Gerrit wast haar van top tot teen en daarna vleit ze zich op een grote handdoek voor de olie massage. Eerst de achterkant en daarna is de voorkant aan de beurt. Ze ondergaat het met de ogen dicht zodat ze zich helemaal kan concentreren op de aanraking van zijn handen. Ze raakt er opgewonden van als hij haar dijen masseert. Langzaam trekt ze haar knieën op en zet haar voeten stevig in het bed. Hoe dichter zijn handen bij haar kruis komen hoe meer ze haar benen opent. Ze licht zichzelf op vanuit het bed en hoewel ze niks zegt, spreekt haar lichaamstaal boekdelen. Hij legt zijn rechterhand op haar schaamheuvel en laat voorzichtig zijn middelvinger tussen de schaamlippen glijden en beroert haar clitoris. Er gaat een siddering door haar lichaam. Ze kan er niks aan doen maar wordt erg opgewonden. Hij voelt een straaltje vocht tegen zijn hand. Heel haar lichaam spant zich als een veer. Met een onderdrukte schreeuw komt ze klaar en langzaam ontspant ze zich en zakt terug op de natte handdoek. Wat Gerrit niet meer voor mogelijk hield, gebeurde. Hij kreeg een erectie en een spontane zaadlozing. Dat was hem in jaren niet meer overkomen maar Antje had het weer in hem wakker gemaakt. Ze opende haar ogen en zei, 'Nu moet ik me natuurlijk verschrikkelijk schamen.' 'Schamen,' zegt Gerrit, 'hoe kom je erbij. Jij hoeft je bij mij nergens voor te schamen. Ik moest me schamen dat ik me niet aan mijn belofte heb gehouden.' 'Hoho, jij hebt beloofd niets te zullen doen wat ik niet wil,' zegt Antje, 'en had je het idee dat ik dit niet wilde?' 'Nee, dat idee had ik niet. Blijf maar even liggen dan was ik je. Hij trekt de handdoek een eindje onder haar vandaan zodat ze weer droog ligt, wast haar en helpt haar met aankleden. Zodra ze klaar is trekt hij zich even terug om zichzelf te verschonen. 's Avonds als ze samen op de bank zitten kruipt ze dicht tegen hem aan, legt haar linkerarm om zijn hals en kust hem, wat door hem wordt beantwoord. Het is de eerste keer dat ze elkaar de liefde betuigen. Ze zegt zachtjes, 'Jij moet voor mij je Gea niet vergeten, maar misschien mag ik op de tweede plaats komen.' Hij trekt haar dicht tegen zich aan en zegt, 'Dat mag, want dit had Gea vast wel goedgekeurd.' 'Zullen we een keer naar Gea toegaan?' vraagt Antje. 'Ja, laten we dat maar eens doen dan kan ik jou laten zien waar ik vandaan kom.'
Een paar dagen later rijden ze in Antje haar auto naar Harlingen. Gerrit is er nog niet weer geweest en is benieuwd hoe het graf erbij ligt. Zijn dochters komen er wel regelmatig als ze tijd hebben, want de meiden hebben het druk met hun pension. Gerrit duwt het hek open en langzaam lopen ze samen over het kerkhof. Als ze bij het graf zijn waar Gerrit zijn ouders, Gea en zijn zoon liggen laat Gerrit zich op zijn knieën op de plaat zakken en laat zijn tranen de vrije loop. Antje legt haar hand om zijn schouder en voelt zijn verdriet met hem mee. Bijna fluisterend zegt ze, 'Lieve Gea, neem me niet kwalijk dat ik ook van deze man hou.' Na een half uur lopen ze hand in hand naar de auto. 'Nu zal ik je laten zien waar we woonden,' en hij rijdt naar de Veldstraat. Daar is niemand thuis maar de buurvrouw komt gelijk aanlopen en nodigt hen uit bij haar te komen koffiedrinken. Zo kunnen ze even bijpraten en hoort ze wie Antje is en hoe het is gekomen. Na de koffie gaan ze naar de jachthaven om te zien hoe het met Jacob en Annie gaat. Daar worden ze hartelijk ontvangen. Ze zijn blij Gerrit terug te zien en na gehoord te hebben wie Antje is en hoe ze bij elkaar zijn gekomen zegt Annie, 'Als jullie het goed kunnen rooien samen, dan is het toch voor jullie beiden het beste om samen verder te gaan. Dat zwerven door het land in zo'n bootje, dat is toch niks. Ik weet zeker dat Gea het goed zou vinden. Jullie kunnen samen nog hele mooie jaren beleven.' Daar zijn ze het roerend mee eens. Annie staat erop dat ze blijven eten. Laat in de middag keren ze weer terug naar Steenwijk. 's Avonds kijken ze terug op een emotievolle dag en zegt Antje blij te zijn met een blik in zijn leven. Ze voelen zich steeds meer tot elkaar aangetrokken. Er ontstaat echte liefde tussen hen beide.
Eindelijk komt de dag in zicht waarop Antje zich al zo lang verheugd heeft, namelijk dat het gips zal worden verwijderd. Ze vind het een eng gevoel als de zuster de zaag in het gips zet. Je moet er toch niet aan denken dat ze in haar arm zaagt. Eindelijk weer vrij bewegen al valt dat eerst wel tegen. Het is een heel raar gevoel, zo zonder het beschermende gips. Er wordt een foto gemaakt zodat ze kunnen zien hoe mooi het vergroeid is. Ze krijgt er een kousje om en ze kunnen weer gaan.'s Middags na het eten zegt Antje, 'Weet je wat ik nu graag zou willen?' 'Ja, dat weet ik wel. Onder de douche natuurlijk. Nou dan doen we dat toch. Mooi samen, dan kun jij mij de rug ook eens wassen.' En zo staan ze even later samen onder de warme stralen te genieten, vooral van elkaar. Zij heeft voor Gerrit geen geheimen meer, maar voor Antje is dat anders. Zij ziet voor het eerst een man naakt en waant zich in luilekkerland. 'Mag ik hem aanraken,' vraagt ze. 'Natuurlijk, hij is nu ook van jou,' zegt Gerrit. Voorzichtig neemt ze zijn penis in haar hand en voelt hoe hij opzwelt. Gerrit kust haar en laat zich op het krukje zakken en zegt, 'Kom maar.' Schrijlings komt ze over hem heen staan. Hij legt zijn handen om haar billen en trekt haar naar zich toe en zij voelt dat dit goed gaat en ze samen één worden. Hier heeft ze jaren naar verlangt. O, wat is dit heerlijk, zo onder de warme douchestraal. Ze huilt van geluk al kun je dat niet zien met al dat water. Als ze even later op staan ontsnapt haar een flinke wind. Ze schieten beiden in de lach en ze zegt, 'Ik hoefde mij toch nergens voor te schamen.' 'Nee meisje, jij hoeft je nergens voor te schamen.' 's Avonds als ze op de bank zitten zegt ze, 'Ik ben zo blij en gelukkig dat ik eindelijk mezelf kan zijn. Dat heb ik mijn hele leven niet gekund.' Gerrit slaat een arm om haar heen en kust haar. Hij is ook weer gelukkig.
Hoofdstuk 9
Doordat Antje al meer dan dertig kilo is afgevallen worden haar kleren wel erg ruim en wordt het tijd voor wat nieuws. Ze wil dat Gerrit meegaat want hij heeft meer verstand van hoe een vrouw gekleed moet gaan dan zij. Als ze samen in zo'n modezaak komen, pakt Gerrit het slim aan en zegt tegen de al wat oudere winkel juffrouw, 'Kleed u mijn vrouw nou eens mooi aan want wij hebben er niet zoveel verstand van.' Ze zegt, 'Dat wil ik graag doen maar wat mag het kosten.' 'Nou, het mag wel wat kosten. Ik moet er een tijdje mee vooruit.' Antje vertelt hoeveel ze de laatste tijd is afgevallen en ziet de jaloerse blik van de juffrouw. Gerrit wordt op een stoel gezet en kijkt toe hoe Antje een nieuwe garderobe krijgt aangemeten. Het kost inderdaad nogal wat maar het resultaat mag er zijn. Alleen als hij haar in een mooie strakke broek ziet staan raadt hij haar aan ook wat ander ondergoed te kopen. Een slip om de nogal stevige billen tekent verschrikkelijk. Ze kan het zelf niet zien maar heeft wel andere vrouwen zo zien lopen. 'Wat raadt je me aan?' vraagt ze. 'Je wilt me toch niet in een string.' 'Nee hoor, maar wel in een boxer broekje met pijpjes dus. Dat tekent niet zo,' weet Gerrit.
Als Dirk en Evelien zondags komen en Antje haar nieuwe kleren showt, kijkt Evelien meteen aan de achterkant. 'Ja, ik heb een goede raadsman. Dat kun je zeker wel zien. Laat dat maar aan Gerrit over. Die denkt overal aan en ik ben er blij mee,' zegt Antje.
Langzaam begint Antje haar arm weer normaal te voelen en neemt ze de huishoudelijke taken weer van Gerrit over, maar hij blijft haar helpen waar hij kan.
De silo's bij de fabriek zijn bijna voltooid en het ziet er naar uit dat Antje na de winter ontslag krijgt met haar schip. Het staat hen nog niet duidelijk voor ogen wat er dan moet gebeuren. Varen wil Antje niet meer want Gerrit ziet het ook niet zitten om schippersknecht te worden. Dat ze bij elkaar willen blijven staat wel vast, daar hoeven ze niet langer over na te denken. Gerrit is seksueel helemaal opgebloeid en hij voelt zich weer een jonge god. Dat komt goed uit want het is net of Antje alles in wil halen wat ze tekort is gekomen. Wel vraagt ze zich regelmatig af of Gerrit het wel bij kan houden. Ze schelen wel elf jaar in leeftijd en ze lijkt ook nog eens tien jaar jonger dan toen hij haar de eerste keer zag. Maar ze hoort hem niet klagen. Alle dagen doen ze oefeningen voor de conditie en voor de slappe buikspieren van Antje. Als je zoveel afvalt kom je wat ruim in het vel te zitten en dat proberen ze met buikspieroefeningen op te lossen. En dat lukt aardig. Ook staat er elke dag een flinke wandeling op het menu en als het mooi weer is, een fietstocht. Antje is zo goed als van de drank af, maar ze drinken wel een paar flesjes wijn in de week. Er moet wel een beetje zonde blijven in 't leven. Op een avond in januari, als ze ieder achter een mooi boek zitten, gaat de telefoon. Antje neemt op en legt de haak op de tafel zodat Gerrit mee kan luisteren. Het is Dirk met groot nieuws. Zijn baas heeft in Kampen een klein makelaarskantoor overgenomen en aan Dirk gevraagd of ze bereid zijn dat kantoor te runnen en naar het noorden te verhuizen. 'Als het goed is komen we in het weekend bij jullie want dan willen we even rondkijken op dat kantoor en bij een makelaar of er ook een huisje voor ons is. Dan komen we vrijdagavond en dan hoor je er meer van.' Antje is opgetogen. Ze hebben al vaker aangegeven wel uit Rotterdam weg te willen en nu krijgen ze de kans. Gerrit zit een poosje stil voor zich uit te kijken totdat Antje zegt, 'Wat heb je, is er wat?' 'Nou, ik zit te denken dat het mooi zou zijn dat jij je schip zou verkopen en de opbrengst deelt met je zoon. Hij heeft immers recht op vadersdeel. Daar zouden ze dan een mooi huisje van kunnen kopen.' Antje kijkt hem aan en vraagt, 'En wij dan?' 'Wat zou zo'n schip waard zijn? Anderhalf miljoen? Van de helft ervan kun je een mooie woonark laten bouwen in Heerenveen,' zegt Gerrit nog half in gedachten. Antje valt hem om de hals en laat haar tranen de vrije loop. Als ze een beetje bekomen is van de emotie zegt ze, 'Zal ik hem terug bellen?' 'Je zou hen bijzonder blij maken denk ik en dan kunnen ze wat gerichter naar een woning naar een woning zoeken,' meent Gerrit. Antje belt naar Dirk, 'Ja, nog even met je mam, moet je luisteren naar wat Gerrit voorstelt.' Dirk hoort het aan, is even stil en schreeuwt dan, 'Evelien, kom eens en hoor wat Gerrit en mijn moeder voorstellen.' Antje legt het nog een keer uit en Evelien kan niet anders uitbrengen dan, 'Een dikke knuffel van ons en tot vrijdag.' Gerrit en Antje drinken er een wijntje op en denken aan een mooie ark maar ook waar zo'n ark dan wel moet liggen. Vrijdagmorgen, even voor tienen, staat de familie Vos al bij hen aan boord en worden ze uitgebreid geknuffeld. Dirk legt uit dat ze niet op zoek hoeven naar een woonark want hij heeft een prachtig schip in de aanbieding. Het ligt in Sliedrecht en is een groot schip omgebouwd tot woonschip. Het moet wel twee en halve ton kosten maar dat is geen bezwaar als dit schip verkocht is. Hij heeft er foto's van, het is een schip van dik 600 ton, helemaal omgebouwd door de vorige eigenaar en van alle gemakken voorzien. Er is zelfs een auto garage op. Die mensen zijn overleden en nu ligt de ark al een paar jaar bij een scheepswerf in Sliedrecht te koop.
Na de koffie gaan ze met de kinderen naar Kampen om te kijken naar scholen en natuurlijk naar een makelaar voor een woning. 's Avonds komen ze terug in Steenwijk met positieve verhalen. Scholen genoeg in Kampen. Een mooie stad aan de IJssel. Op het kantoor zijn ze vriendelijk onthaald. Na de vrees voor de sluiting zijn de vier werknemers weer positief gestemd. De makelaar had verschillende huizen in de aanbieding waaronder een verbouwde boerderij in IJsselmuiden aan de andere kant van de IJssel. Er ligt een flink stuk land bij en dat vind Mientje geweldig want die is gek van paarden. Dat het boerderijtje ook nog aan een kanaaltje ligt is weer goed voor Dick want die wil wel graag een zeilboot. Hij heeft al les in Rotterdam. Zaterdagmorgen moet Gerrit ook even kijken en die gaat gelijk met een mes langs de kozijnen en de deuren om te zien of het wel gaaf is. Het is prima in orde zo te zien. Overal dubbel glas en goed geïsoleerd. De prijs is hoog. Zes en halve ton, maar Gerrit raadt hen toch aan, het te kopen. Hier hoeft niets aan te gebeuren, je kunt er bij wijze van spreken, morgen zo in. Het woont er mooi vrij en toch dichtbij de stad. Ze volgen Gerrit zijn raad op en besluiten het te kopen.
De volgende week gaan Gerrit en Antje naar Sliedrecht om het schip bekijken. Ze gaan rustig met de trein tot Houten en daar haalt Dirk hen van het station en na koffie gedronken te hebben rijden ze naar Sliedrecht. Dirk heeft niets te veel gezegd. Het is een prachtig schip. Het moet wel worden schoongemaakt en geverfd maar dat is van latere zorg. Dirk bedingt erbij dat het op de helling te zien is en dat het wordt behandeld. Dirk zal erop toe zien dat het allemaal goed gebeurt. Hij is tenslotte de makelaar. Na wat gegeten te hebben in het cafetaria brengt Dirk hen weer naar de trein. Om zes uur 's avonds zijn ze weer in Steenwijk. Nu is hun grootste zorg, een ligplaats voor hun schip. Antje praat tenminste over 'ons schip' maar Gerrit wil daar niets van horen. Hij zegt, 'Het is jou schip want jij hebt er het geld voor als dit schip verkocht is.' Daar is Antje het niet mee eens. 'Die ark komt op ons beider naam want dat is wat ik voor jou terug kan doen. Jij hebt het geluk in mijn leven gebracht en dat is meer waard dan een half schip.' Gerrit wil eerst Dirk zijn mening horen maar Antje houdt voet bij stuk want daar heeft Dirk niks mee te maken. 'Hij krijgt zijn deel en rest is van mij en daar mag ik mee doen wat ik wil. Als je het daar niet mee eens bent dan donder je maar op,' zegt Antje lachend. Gerrit pakt haar, duwt haar op het bed, trekt haar broek uit en verkracht haar. Ze vind het heerlijk. Later op de avond zegt Gerrit, 'Zou je wel in Meppel willen wonen? Daar is een hele mooie haven voor dure boten. Ze hebben daar twee ligplaatsen voor woonschepen. Eén voor goedkope en één voor dure boten. Het is natuurlijk niet gezegd dat daar een plaats vrij is en dat wij daar dan voor in aanmerking komen, maar vragen staat vrij.' Daar is Antje het mee eens en die wil wel naar Meppel. De dag daarna rijden ze er naartoe, parkeren de auto in de buurt van de haven en wandelen langs de schepen. Er liggen heel mooie bij en ze hebben allemaal een tuintje ervoor. In één van de tuintjes is een man bezig de struiken te snoeien. Ze maken een praatje en prijzen zijn mooie schip. Zijn vrouw komt er ook bij en al gauw komen ze met de vraag of er wel eens een plaats vrij komt. De vrouw nodigt hen uit voor een kopje thee en vertelt hen over het nieuwe verzorgingshuis dat er wordt gebouwd en dat de oude vrouw uit het laatste schip, daar in mei naar toe gaat. Haar man is overleden en ze kan zich niet goed meer redden. Zoals ze gehoord hebben is het schip verkocht en gaat eerst naar Heerenveen om te worden opgeknapt en daarna naar Groningen. Maar of die plaats dan nog vrij is weten ze niet. 'Er mogen hier trouwens alleen maar mooie boten liggen,' zegt de man. Ze laten hem een foto zien van hun boot en dat stelt hem wel gerust. 'Je zou kunnen vragen aan die vrouw hoe het er voor staat en je kunt altijd even naar de gemeente gaan om inlichtingen. Niet geschoten is altijd mis.' Ze bedanken de mensen voor de koffie en lopen langs de kade naar de laatste woonboot in de rij en zijn het er over eens dat dit de mooiste plek is.
Mevrouw Veenstra, zoals ze op het bordje naast de deur lezen, doet open en wil hen graag te woord staan en bevestigt dat ze inderdaad in mei hier weg gaat en haar boot ook. Ze weet niet of haar zoon dat al bij de gemeente gemeld heeft. Ze wil wel even bellen. Het is inderdaad nog niet gemeld maar ze mogen wel vragen over de ligplaats. Dat besluiten ze te doen en komen na enig zoeken aan het juiste loket. Ze worden tot hun verbazing ook nog ontvangen door de ambtenaar welke erover gaat. Hij weet inderdaad van niets over het vertrek van die boot. Hij belt even met de woningstichting of mevrouw Veenstra is ingeschreven voor het nieuwe tehuis, en dat blijkt het geval te zijn. Er ligt geen aanvraag voor een ligplaats en nadat hij heeft gezien om wat voor boot het gaat wil hij hen wel inschrijven.
Dat het zo mee zou zitten hadden ze niet verwacht. Zodra de ligplaats door de familie Veenstra wordt opgezegd krijgen ze officieel bericht, zo wordt hen toegezegd. Blij als kleine kinderen rijden ze terug naar de haven om mevrouw Veenstra op de hoogte te stellen van de situatie en die is blij dat ze daarvoor de moeite nemen. Ze eten wat in de stad en gaan daarna ook nog even naar de scheepswerf, waar Gerrit de vorige winter met zijn boot heeft gelegen, om de familie daar op de hoogte te brengen waarom hij deze winter niet is gekomen. Hij had al gebeld maar wil toch even met die mensen persoonlijk praten. Ze weten alles van hem en vinden het fijn dat hij even langskomt om Antje voor te stellen en hij vertelt hoe het zo is gekomen. Ze wensen hen veel geluk samen. Gerrit en Antje rijden opgelucht en voldaan terug naar Steenwijk en zijn het er over eens dat als het geluk je toelacht, alles meezit. Als Antje 's avonds met Dirk belt om hem het goede nieuws te vertellen hoort ze dat hij ook een koper voor haar schip heeft. Ze willen eerdaags komen kijken. Na het avondeten kruipt ze lekker tegen Gerrit aan op de bank en voelt zich super gelukkig en geborgen bij hem.
Hoofdstuk 10
Begin maart gaan Dirk en Evelien verhuizen vanuit Rotterdam en vestigen zich in IJsselmuiden. Gerrit en Antje helpen waar ze kunnen. De jongelui hebben het huis mooi in laten richten door een meubelzaak uit Kampen en nemen zo weinig mogelijk mee zodat ze alles in een kleine verhuiswagen kunnen bergen. Ze hoeven niet op een paar centen te kijken want het schip is verkocht en wordt begin april overgedragen. Gerrit en Antje moeten dus eerst een tijdje in de boot van Gerrit wonen voordat ze naar Meppel kunnen. Hun woonschip wordt in Sliedrecht opnieuw geschilderd en ook ingericht. Ze kopen alles nieuw. Antje heeft nog nooit wat van haarzelf gehad, dus dit is haar kans. Ook bepaalt ze de kleuren voor de woonboot. Donker paars met lila afgezet. Wel wat gewaagd maar een goede keus volgens de schilder. Dirk houdt toezicht zolang hij nog in het westen werkt. Na de verhuizing wordt het noorden zijn werkterrein. Het wordt wel even wennen, van een grote stad naar een klein dorp. Ook voor de kinderen. Vriendjes achterlaten en nieuwe maken. Achteraf blijken ze daar niet veel moeite mee hebben. Ze genieten allemaal van de rust op het platteland en de vriendelijkheid van de mensen in zo'n dorp. Iedereen groet elkaar en dat waren ze in de stad niet gewend. Maar ze passen zich snel aan en worden al gauw opgenomen in de gemeenschap.
Begin mei komt er officieel toestemming van de gemeente Meppel dat de ligplaats op twaalf mei kan worden ingenomen. Nadat Antje afscheid heeft genomen van de directeur en zijn vrouw en de mannen van de fabriek, gooien ze de boot los en varen richting Terschelling waar ze een week bij de dochters van Gerrit zullen vertoeven. Ze treffen mooi weer en bekijken het hele eiland. Daarna gaan ze terug om hun plaats in de haven van Meppel in te nemen. Eerst met de boot en als ze vernemen dat hun woonboot klaar is, reizen ze af naar Sliedrecht. Ze kijken hun ogen uit als ze zien hoe mooi die boot is geworden. Antje rekent af en ze besluiten om samen de boot naar Meppel te brengen. Ze doen er twee dagen over en Antje voelt zich weer een echte schippersvrouw. De boot vaart prima en Gerrit heeft als knecht niet veel te doen. Ze hebben veel bekijks.
Als ze in Meppel aankomen en afmeren, zijn de mensen nogal verschillend. De één vind het prachtig terwijl een ander nogal moet wennen aan de nogal afwijkende kleuren, maar als ze de boot van binnen bekijken vallen ze stil. Een grote kamer voorop met rondom zicht, een prachtige keuken en drie slaapkamers. Achterop een auto garage met daaronder een werkplaats en de motorruimte. De stuurhut boven de slaapkamers en de badkamer. Naast de keuken de hal met wc, geschilderd in prachtige kleuren. Iedereen is vol lof over de boot, maar dat mag ook wel voor twee en halve ton. De week daarop worden ze aangesloten op alle voorzieningen en dan zijn ze inwoners van Meppel. Nu krijgen ze ook de Meppeler krant in de bus en lezen daarin over de opening van het nieuwe verzorgingshuis, waarin ondergebracht de apotheek, tandarts, thuiszorg, fysiotherapeuten en ook twee huisartsen. Er is nog plaats voor een derde, maar die plaats is nog niet bezet. Gerrit en Antje besluiten te gaan kijken op de open dag want ze moeten op zoek naar een huisarts.
Ze maken er kennis met een jonge Surinaamse vrouw die zich kort daarvoor in Meppel heeft gevestigd als huisarts. Barbara Zuidewind, een vriendelijke donkere vrouw en ze besluiten zich bij haar in te laten schrijven als patiënt. Ze zegt graag kennis te willen maken om haar patiënten beter te leren kennen en hun medisch te testen. Dat vinden ze prima en maken een afspraak dat Barbara een avond langs zal komen, dan weet ze meteen waar ze wonen. Zo gebeurt het dat Barbara de volgende avond bij hen over de loopbrug komt en voor het eerst op een woonboot komt zoals ze zegt. Ze steekt haar bewondering niet onder stoelen of banken. Ze had toch een hele andere voorstelling van een woonboot. Dit is geen woonboot maar een paleis. Dat valt natuurlijk in goede aarde bij Gerrit en Antje. Onder de koffie vertelt Antje hoe ze aan elkaar zijn gekomen en Barbara luistert aandachtig met tranen in de ogen. Het verhaal grijpt haar aan want ze heeft zelf ook al het één en ander meegemaakt. Ze is getrouwd geweest met een dokter van het ziekenhuis in Rotterdam, waar ze een opleiding volgde. Die dokter was gescheiden en later kwam ze er achter waarom. Hij hield er vele vrouwen op na en toen ze daarachter kwam is ze ook van hem gescheiden. Hij kon haar echter niet met rust laten. Ze had gelukkig haar opleiding bijna voltooid, kwam daarna via een kennis hier in Meppel terecht en probeert nu een praktijk op te bouwen. 'En nu vul je de derde plaats in zeker, in dat gezondheidscentrum,' zegt Gerrit. 'Ja, dat zou ik graag willen maar dan moet ik drieëntwintig duizend euro meebrengen, die heb ik niet en kan ik ook niet lenen, want ik heb niets,' zegt Barbara. 'Ik kan net de huur van mijn huisje betalen en heb in een slaapkamer mijn praktijk. Dat zit er dus voorlopig niet in.' Nadat ze Gerrit en Antje naakt heeft gekeurd en bekeken en alles heeft genoteerd en hen heeft bedankt voor de koffie, vertrekt ze. 'Toch zonde van zo'n meid dat die daar niet in dat verzorgingshuis, op de derde lege plek kan komen, het lijkt me een goed doktertje,' zegt Antje.
Hoofdstuk 11
Dirk en Antje hebben nu alle tijd van de wereld en zitten nu alle dagen op de fiets om Overijssel en Drenthe te bekijken. Ze wisten niet dat het daar zo mooi is. Dat zie je ook pas, als je rustig door de provincie fietst. Als ze 's avonds op het terras voorop de boot in het zonnetje zitten te genieten met een wijntje, beseffen ze hoe goed ze het samen hebben. Zo ook die avond dat Barbara is geweest om een praatje te maken. Ze is een echte vriendin geworden en ze zijn het erover eens dat het een schat van een meid is. 'Als wij haar nou eens helpen aan een plek in dat gezondheidscentrum. Daarmee zou dat geld beter besteed zijn dan op de bank,' volgens Gerrit. Antje kijkt hem verrast aan en zegt, 'Dat is een geweldig idee, maar hoe moet dat dan?' Gerrit heeft daar wel een gedachte daarover. 'Als wij de apparatuur kopen dan kan Barbara het zogenaamd van ons huren. Een soort huurkoop en dan wordt het op den duur haar eigendom.' Antje belt Barbara of ze de volgende avond nog even langs komt voor een wijntje.
Als ze met hun drieën aan dat wijntje zitten, vertelt Gerrit wat ze van plan zijn en of ze het daarmee eens is. Barbara weet niet wat ze hoort en is sprakeloos. Ze omhelst hen beide. 'Je moet het niet zien als chantage, wij blijven gewoon patiënt van jou en vrienden,' zegt Antje. Alles wordt geregeld en Barbara krijgt haar praktijk in het gezondheidscentrum. Ze kan het niet laten om de Meppeler krant op de hoogte te stellen zodat er een stuk in de krant komt over haar vrienden die haar aan die praktijk helpen. Dat had van Gerrit en Antje niet gehoeven maar ze zijn natuurlijk wel vereerd met het artikel. Barbara nodigt haar klanten uit te komen kijken en om wat promotie te maken, want ze kan nog wel wat klanten gebruiken. Dat komt trouwens vanzelf goed want haar twee collega's zitten vol en dus komen ze vanzelf bij haar terecht en daar krijgen ze geen spijt van. Barbara kan heel goed met mensen omgaan en heeft nog alle geduld om te luisteren en dat vinden de meeste mensen fijn. Toch moeten sommige mensen nog wennen aan haar Surinaamse achtergrond. Als ze tijdens haar open dag, de mensen verteld hoe dit haar mogelijk is gemaakt en door wie, lopen dikke tranen over haar donkere wangen. Dan is voor de meeste het ijs gebroken en sluiten ze haar in hun hart. Ze zet Gerrit en Antje in het zonnetje door te zeggen dat haar ouders gestorven zijn en dat dit haar nieuwe ouders zijn al hebben ze niet dezelfde kleur. En die zijn super trots op hun donkere dochter.
De buurvrouw van Gerrit en Antje is voorzitter van een zwemclub voor ouderen en haalt hen over om mee te gaan zwemmen. Daar hoeft ze niet veel moeite voor te doen want ze willen graag worden betrokken bij de gemeenschap. Ze gaan iedere week twee ochtenden mee te zwemmen en zo leren ze wat meer mensen kennen. Ook belegt Antje een bijeenkomst bij hen aan boord voor de buurtgenoten, onder het genot van een hapje en een drankje, zoals dat zo mooi heet. Tevens maakt ze van de gelegenheid gebruik om te vertellen over haar leven en hoe ze er bijna aan onderdoor is gegaan en hoe deze man haar uit de ellende heeft getrokken en van de drank af heeft geholpen. Ze kan boeiend vertellen, iedereen luistert aandachtig en als ze stil valt krijgt ze applaus. Gerrit laat het maar over zich heen komen en gaat nog een keer met de fles rond. Enkele van hun buren gaan bijna op de knieën de deur uit. Als ze op een avond bij de buurvrouw op de koffie zijn, begint die over haar tweede zwemgroepje op woensdagavond. Dat groepje heet 'Niks om 't lief' en ze begrijpen al gauw dat dit een naaktzwemclubje is. Annie wil hen daar ook wel lid van maken, want ze kunnen nog wel wat leden gebruiken. Het zwembad afhuren is duur. Ze neemt hen niet kwalijk dat ze er even over na moeten denken, maar een paar dagen later geven ze zich op als lid. Zo gaan ze op woensdagavond mee en gaan voor de eerste keer bloot het water in. Het is wel even wennen maar het voelt wel goed. Ze hoeven zich niet te schamen, ze vallen niet echt op tussen al die gerimpelde lichamen. Koos is hun badmeester die, om niet te veel op te vallen, ook in zijn blootje rond loopt. Het is echt een gezelschapsgroepje. Als Barbara hoort over hun blootzwemgroepje, lijkt haar dat ook wel wat. Overdag heeft ze geen tijd te zwemmen maar 's avonds wel. Antje raad het haar af. Ze zegt, 'Zou je dat nou wel doen met je eigen klanten bloot te gaan zwemmen.' Barbara ziet er niet veel kwaad in. 'Ik laat mijn patiënten ook wel eens uit kleden en daarom mogen ze mij ook wel bloot zien.' Zo gebeurt het dat ze zich op woensdagavond ook in het warme water laat zakken. Iedereen is onder de indruk van haar prachtig bruine lichaam dat als een bruinvis door het water schiet. Ook de badmeester laat het niet onberoerd. Ze valt ook wel op, tussen de al wat ouderen, met haar negenentwintig jaar. Antje krijgt geen gelijk dat het niet goed zou zijn voor haar imago, integendeel, haar praktijk groeit als kool. Er wordt een geweldige mond op mond reclame gemaakt, vanwege de manier van omgang en aandacht die ze besteed aan de mensen. Ook komt er wat geluk bij kijken. Een dokter moet ook wel eens gokken als ze er niet goed achter kan komen wat de patiënt mankeert. En als ze dan goed gokt wordt dat al gauw gezien als vakmanschap en dat verteld lekker door.
Hoofdstuk 12
De familie Vos bevalt het prima in IJsselmuiden. Mientje heeft een mooie pony in de wei en Dick heeft zijn zeilboot. In zijn vrije tijd is hij vaak bij de zeilschool aan de IJssel te vinden. Hij wil graag lesgeven en begint met de kleintjes. Het is een rustige vent en dat komt goed van pas bij die kleine druktemakers. Hij doet dat samen met een mooi meisje uit Kampen en al gauw gaat het niet meer om lesgeven maar zijn ze steeds vaker samen in de boot op de IJssel. In Meppel komen ze niet vaak meer en och, Gerrit en Antje begrijpen dat wel. De jongelui hebben het veel te druk. Dirk en Evelien komen wel regelmatig langs om bij te praten. Het valt Evelien op dat er nog geen naam is bedacht voor hun schip. Ze zegt 'Als jullie een naam bedenken dan zorgen wij voor een mooi naambordje.' Antje weet wel een naam, 'GerGeAn'. Raadt maar hoe ik daar aan kom.' 'Nou, dat is niet zo moeilijk, Gerrit, Gea en Antje,' zegt Gerrit. En zo wordt het schip een week later gedoopt door Evelien nadat Dirk het naambordje heeft aangebracht.
Het is hen opgevallen dat Barbara nogal eens nablijft na het zwemmen op woensdagavond. Koos, de badmeester, is in de ban geraakt van de Surinaamse dokter en maakt haar dat ook duidelijk. Zij ziet ook wel wat in hem en hij is met zijn tweeëndertig jaar ongeveer van dezelfde leeftijd dan Barbara. Hij is een mooie jonge kerel met een atletisch figuur en dus is Barbara niet de enige gegadigde. 'Heb jij niet een nieuwtje voor ons?' vraagt Gerrit, als Barbara weer eens een avond langskomt. 'Wat zou ik voor nieuwtje moeten hebben?' zegt ze. 'Nou wij zijn niet blind,' zegt Antje. 'Vertel het nou maar. Je hoeft niks voor je ouders te verzwijgen.' Dan bekent ze lachend dat er wel wat loos is tussen haar en Koos. Volgens Gerrit kunnen daar mooie bonte kinderen van komen. Ze springt hem op de nek en dreigt hem te wurgen. 'Mooie dokter ben jij, om je klanten om te brengen,' zegt Gerrit, als hij weer uit haar greep is. 'Neem Koos maar mee,' zegt Antje, 'dan kunnen we nader met hem kennis maken.'
En zo gebeurt het dat ze voortaan samen komen en zo nu en dan een dagje mee gaan varen met de boot van Gerrit, en dat zijn heel gezellige dagen. Koos heeft een groot huis en na een jaar verkering gaat Barbara bij hem in wonen. Hij had dat wel eerder gewild maar zij is wat voorzichtig geworden door haar ervaring in 't verleden. Het is een geweldig stel. Het komt wel goed met die twee.
Het leven gaat z'n gangetje en alles gaat zoals het moet gaan. Gerrit en Antje zijn twee zomers met vakantie op de boot door België, Frankrijk en Duitsland gevaren. De buurvrouw past op hun spulletjes in Meppel. Het zijn mooie weken. Meer hoeven ze ook niet, maar ze zijn ook altijd weer blij in Meppel terug te zijn. Oost, west, thuis is toch altijd het best.
Koos en Barbara zijn getrouwd en het eerste gevlekte kindje is op komst, zoals Koos dat zo mooi zegt. Nadat ze een avond bij Gerrit en Antje zijn geweest en die twee, nadat Koos en Barbara weg zijn, daarna nog een eindje rond lopen, zegt Antje ineens, terwijl ze hem in de arm knijpt, 'Ik ben super gelukkig met jou maar toch ontbreekt er nog wat aan.' 'Een kind zeker,' zegt Gerrit. 'Welnee gek, ik zou wel graag met je getrouwd willen zijn.' zegt Antje. Gerrit blijft staan en slaat zijn armen om haar heen en zegt, 'Waarom kom je daar nu pas mee. Ik zat hier al jaren op te wachten.' Ze staan midden op de straat te zoenen en het is maar goed dat het donker is. Als ze later weer thuis zijn zegt Gerrit, 'Ik weet wel iemand die dat wel wil doen. Het is een bekende zangeres die in Oost-Groningen woont en wel vaker bijzondere huwelijken sluit. En dit is wel een bijzonder huwelijk, een bruid van 67 en een bruidegom van 78.' Ze zoeken het telefoonnummer op en de volgende dag belt Antje met Marie en vertelt haar hun voornemen. Als die hoort wat voor verhaal er achter zit, zegt ze toe langs te zullen komen. Ze komt toch vaak via Meppel naar het westen. Woensdag middag dan maar als het goed is. Dan moet ze toch voor opnamen naar Aalsmeer voor de Tros. Dat komt dus mooi uit. Ze schrijft het adres op en de naam van de boot waarna Antje een vreugdedansje maakt. 'Nou ga je de boot in, jongen. Er is geen ontkomen meer aan. Je bent straks helemaal van mij.' Gerrit doet net of hij het verschrikkelijk vind en zegt, 'Zolang ik nog niet getekend heb, ben ik nog vrij man.' Hij moet er trouwens niet aan denken om weer te gaan zwerven.
Marie komt langs en prijst hun boot de hemel in. Als Antje daarna het hele verhaal vertelt en Marie aantekeningen maakt, springen haar zo nu en dan de tranen in de ogen. Antje kan het ook zo mooi spannend vertellen. Zij belooft er een mooie speech van te maken. Er wordt een datum geprikt en Gerrit en Antje gaan in ondertrouw. Dan gaat Antje op zoek naar een mooie jurk. Ze heeft nog nooit zo sterk ergens naar uitgekeken dan naar de trouwdatum. Het is net of ze bang is dat het toch nog over zal gaan. Gerrit stelt haar gerust en zegt haar vooral geen zorgen te maken, want hij loopt echt niet weg.
Eindelijk is het dan zover. De hele familie reist af naar Oost-Groningen. Koos en Barbara gaan ook mee. Een kind moet toch bij de trouwdag van haar ouders zijn. Het wordt een prachtige plechtigheid. Marie heeft er een heel indringend verhaal van gemaakt en er wordt menig traantje weggepinkt. Gerrit z'n dochters waren ontroerd door de foto van Gea, welke stond opgesteld. Antje had er op gestaan dat Gea er bij zou zijn. Ze wilde dat Gerrit haar altijd in gedachten zou houden. Doodmoe kwamen ze 's avonds weer in Meppel terug en waren blij dat het achter de rug was. Er was een mooie video van gemaakt zodat ze het nog eens rustig terug konden zien. Later nodigden ze alle buren uit voor een feestje en lieten ze vol trots de videofilm zien op een groot scherm. Al met al het toppunt van geluk van Antje nu ze zich mevrouw Blok kon noemen.
Hoofdstuk 13
Vier maanden daarna is Barbara uitgerekend en wil thuis bevallen. Met een goeie vroedvrouw erbij kan er niks misgaan en er is sowieso een dokter bij aanwezig. Barbara staat erop dat Gerrit en Antje er ook bij zullen zijn. 'Vind je dat niet raar,' zegt Antje, 'vreemde mensen bij je bevalling.' 'Hoezo vreemden, jullie nemen toch de plaats van mijn ouders in? En die van Koos want die heeft geen omgang meer met zijn ouders,' zegt Barbara.
Barbara blijft zolang mogelijk doorwerken, maar als het bijna zover is regelt ze een invaller. Woensdagavond zwemt ze nog bloot met de club en daar bewonderd iedereen haar dikke buik. Donderdagmiddag belt ze dat het kind er eigenlijk wel uit wil. Gerrit en Antje gaan er direct naartoe en nog geen half uur later is het zover. Het is een mooie bevalling want Barbara perst het kind zonder veel moeite naar buiten. Het is toch net of die mensen wat dichter bij de natuur staan dan blanke mensen. Een prachtig lichtbruin meisje is het resultaat. Echt een halfbloedje. 'Wij willen het Anja noemen,' zegt Barbara. 'Toch een beetje naar jou.' Antje laat haar tranen lopen en ook Gerrit pinkt een traantje weg. 'Hebben wij toch ook een beetje een kindje”, zegt hij.
Het is onvoorstelbaar hoeveel kaartjes er in de praktijk van Barbara binnenkomen en ook bij het zwembad wordt Koos niet vergeten. Een maand later neemt Barbara haar kind mee naar het bad op woensdagavond en laat de kleine Anja ook even zwemmen. Koos maakt veel mooie foto's. Als Barbara haar werk weer hervat, mogen Gerrit en Antje vaak oppassen en dat doen ze met plezier. Trots lopen ze achter de kinderwagen door de stad, die ze voor het jonge paar hebben gekocht. Als de mensen in de wagen kijken moeten ze wel eens wat uitleggen. De kleine Anja wordt algauw een mooi meisje en Koos en Barbara zitten niet stil, want als het meisje een jaar is verwacht Barbara haar tweede kind. Ze hopen natuurlijk op een jongen maar ze willen het van te voren niet weten. Geen echo's dus maar hun wens wordt vervuld. De tweede is een jongen, net zo mooi als zijn zusje en ze noemen hem Gerrie. 'Dit is te veel eer,' zegt Gerrit. Maar hij vind het natuurlijk prachtig. Ze kunnen hun geluk kan niet op. Het is haast te mooi om waar te zijn.
Het is een extreem nat voorjaar en de woonschepen liggen hoog boven de kade. Dat merken ze in IJsselmuiden ook. Het weiland waar Mientje haar paard hoort te lopen staat bijna onder water en dus moet het paard op stal blijven. Dick heeft bij de zeilschool, waar hij in zijn vrije tijd leraar is, een aardig meisje ontmoet. Zij zijn regelmatig samen in Meppel te vinden en nadat hij het klein vaarbewijs heeft gehaald, gaan ze wel eens een middag met Gerrit zijn boot varen. Dat is makkelijker dan met zijn zeilboot, want dan is het hard werken in plaats van lekker ontspannen. Daarom zie je vaak in zeilboten jonge mensen en in een motorboot oudere mensen. Dick en Ria zijn dan ook het liefst met de zeilboot op de IJssel evenals die zondag in mei. Evelien had gewaarschuwd voor de stroom veroorzaakt door de hoge waterstand, maar de jongelui zagen er geen gevaar in. Ze zijn goede zeilers en kunnen allebei zwemmen als waterratten. Dat het wat laat werd die middag wekte in huize Vos ook geen ongerustheid. Dick en Ria gingen wel eens vaker naar Ria haar ouders in Wilsum. Dat ligt ook aan de IJssel maar wel stroomopwaarts. 's Avonds tegen achten wil Evelien toch wel eens weten waar de jongelui uithangen en belt Dick zijn mobiel nummer, maar krijgt geen gehoor. Dat is vreemd en dus maar even naar Ria haar ouders gebeld. Daar wisten ze van niets, nee, ze waren daar ook niet geweest. Dan slaat de paniek toe. Dirk is altijd de rust zelve maar hij wordt nu toch wel wat zenuwachtig. Hij belt de politie en vraagt of er misschien iets bekend is over een ongeluk met een zeilboot op de IJssel waarna ze hem vertellen dat er een onderzoek wordt gestart. Want met zo'n sterke stroming is een ongeluk niet ondenkbeeldig. Zodra er wat bekend is, worden ze op de hoogte gebracht. Angstige uren volgen. Heel de nacht zijn ze in de weer en horen de oproep op de radio. De volgende morgen om negen uur kwam er een telefoontje van de politie. Er is een omgeslagen zeilboot gevonden bij de Ketelbrug met de naar 'RIA'. Er is geen twijfel mogelijk, het is Dick zijn boot, maar van de beide mensen geen spoor. Evelien belt naar Meppel om Gerrit en Antje op de hoogte te brengen, voordat ze het via de radio horen. Die gaan direct naar IJsselmuiden om hen te steunen, maar ze kunnen niets anders doen dan afwachten. Gerrit denkt aan zijn eigen zoon en wat ze toen hebben meegemaakt. Dagen gaan voorbij in grote onzekerheid. Ria haar ouders zijn meer in IJsselmuiden dan thuis. Ze gaan ervan uit dat Dick en Ria zijn omgekomen, maar zolang ze niet zijn gevonden is niets zeker. Er wordt gezocht op het Ketelmeer en dat blijkt een juiste keus want na vijf dagen worden de lichamen bij de Kamperhoek gevonden dichtbij de plaats waar ook de boot lag. In het uitvaartcentrum in Kampen worden ze opgebaard en de volgende week woensdag in Wilsum en in Kampen begraven. Wel op verschillende tijdstippen, zodat de familie's bij beide uitvaarten aanwezig kunnen zijn. Daarna begint de rouwverwerking. Voor Evelien is dat één groot zelfverwijt. 'Ik had ze tegen moeten houden,' zegt ze. Het valt niet mee om haar van die gedachte af te brengen. Hoe kun je twee volwassen mensen tegen houden van wat hun grootste hobby was. Het zal heel lang duren voordat ze zich daarbij neerlegt. De tijd heelt alle wonden, ook deze.
Hoofdstuk 14
Het begint Antje op te vallen dat Gerrit steeds minder uithoudingsvermogen krijgt. Maar ja wat wil je, hij is bijna tachtig. Het is in de tijd dat de elektrische fietsen in de handel komen en ze besluiten om zo'n Sparta aan te schaffen. Tjonge, dat is een uitkomst. Zonder de minste moeite tegen de wind in fietsen en tegen de hoogste viaducten op. Toch gaat het niet goed. Gerrit laat niet zo gauw zijn hoofd hangen, maar Antje praat er toch eens met Barbara over en die wil hem wel onderzoeken. Als ze zijn longen beluisterd heeft, kijkt ze bedenkelijk en raad hen aan om eens even naar het ziekenhuis te gaan. Zij maakt een afspraak met een longarts en er worden foto's gemaakt. Een paar dagen later komt Barbara langs en vraagt of hij ooit met asbest in aanraking is geweest. Als Gerrit daar over nadenkt dan weet hij wel dat in de kranen bij de haven wel asbest aanwezig was, maar dat is zolang geleden. Volgens Barbara kan dat na jaren nog in de longen aanwezig zijn. Er is iets op de foto's te zien wat daar op duidt en er zal een nader onderzoek volgen. Antje is helemaal van de kaart omdat die gelijk aan longkanker denkt. Gerrit probeert haar gerust te stellen, hij voelt zich immers helemaal niet ziek. Eerst het onderzoek maar eens afwachten.
Antje haar voorgevoelens blijken juist te zijn. Onderzoek wijst uit dat het longkanker is, wat waarschijnlijk te wijten is aan het inademen van asbestdeeltjes. Gerrit is een nuchter man en vraagt de dokter wat hem te wachten staat. Ik wil graag een eerlijk antwoord waarna de dokter hem uitlegt hoe het ervoor staat en of hij kan worden geopereerd. Aangezien beide longen zijn aangetast is er weinig kans op genezing en met die wetenschap ziet Gerrit af van behandeling. Hij zegt, 'We zien wel waar het schip strand, als het maar geen lijdensweg wordt.' Antje is ontroostbaar want die ziet zichzelf weer alleen achterblijven en dat wil ze nooit meer meemaken. Ook Barbara kan haar niet echt troosten, want hoewel Gerrit zich nog goed voelt, weet ze wat voor een sluipmoordenaar longkanker is. Als je wat voelt dan is het vaak al te laat en dat zegt ze ook eerlijk. 'Jullie moeten er nog het beste van maken. Het is niet te zeggen hoelang je nog hebt. Op oudere leeftijd gaat het vak niet zo snel.'
Barbara staat hen bij waar ze kan en na een paar maanden lijkt Antje zichzelf weer een beetje onder controle te hebben tot ze op een morgen wakker wordt en naar de toilet moet. Maar hoe ze ook probeert om op te staan, ze kan niet overeind komen. Ze maakt Gerrit wakker en die hoort direct dat het met haar spraak niet goed is. Haar mond staat scheef en ze kan bijna niet lopen. Als ze weer in bed ligt, belt hij alarmnummer 112 en vertelt wat er aan de hand is. Ze moet direct naar het ziekenhuis want het is waarschijnlijk een hersenbloeding. Tien minuten later staat de ambulance al voor de deur en nog een kwartier later ligt Antje in het ziekenhuis. Als Gerrit weer thuis is belt hij Barbara en verteld haar wat er aan de hand is. 'Wat heb je gedaan,' vraagt ze. 'Het alarm nummer 112 gebeld en nu ligt ze al in het ziekenhuis,' zegt Gerrit. 'Dat heb je goed gedaan want als het een hersenbloeding is moet er zo snel mogelijk worden ingegrepen, dan kan de schade beperkt blijven. Als het een infarct is dan is het een ander verhaal, maar dat zien we vanavond wel als we op bezoek gaan,' zegt Barbara.
Als ze 's avonds bij haar komen, ziet Barbara direct dat het meevalt, hoewel Antje nog niet goed kan praten en haar arm een beetje verlamd is. Maar volgens de dokter komt dat wel weer bij. Alle dagen gaat Gerrit naar haar toe en ziet langzaam verbetering, maar of het helemaal goed komt is nog maar de vraagt. Bijna twee weken later is ze weer thuis en mag de fysiotherapeut proberen haar weer op de been te krijgen. Dat lukt maar gedeeltelijk want ze houdt verlammingsverschijnselen. Gerrit verzorgd haar prima maar ze vragen zich af hoe dat moet als Gerrit er niet meer is. Barbara probeert hen zo veel mogelijk gerust te stellen. Als het zover komt dat je jezelf niet meer kunt redden dan is er altijd wel een plekje in het verzorgingshuis. Antje moet er niet aan denken en zegt in tranen, 'Dat nooit, dan ga ik liever dood. Als Gerrit er niet meer is wil ik hier ook niet meer zijn. Kun je me dan niet helpen.' 'Hoho,' zegt Barbara, 'je wilt toch niet dat ik je vermoord. Ik ben een dokter en die probeert altijd mensen in leven te houden en beter te maken.' Als Barbara vertrokken is komt Antje er op terug en vraagt hoe Gerrit daar over denkt. Hij kan haar wel begrijpen. Hij zou ook niet alleen willen blijven en is zelf al eens van plan geweest een eind aan zijn leven te maken. Barbara zou misschien voor middelen kunnen zorgen om op een humane manier uit het leven te stappen. Ze moeten er nog maar eens met haar over praten. Maar Barbara laat zowat twee weken niets van zich horen. Dan belt Antje haar op en smeekt haar weer langs te komen. Als ze dat niet wil, zullen ze het onderwerp niet meer aansnijden. Barbara komt terug en hoewel niet van harte, laat ze toch weten erover nagedacht te hebben. Ze laat hen niet in de steek en heeft er met haar collega's over gesproken want je moet voor zoiets altijd met twee doktoren zijn. Ze raadt hen aan om lid te worden van de vrijwillige euthanasie vereniging. Die weten precies wat hen te doen staat. Na een paar dagen hebben ze de papieren in huis waarin staat hoe het in z'n werk kan gaan en wat ze daarvoor moeten doen. Barbara belooft hen te helpen en te zorgen voor middelen. Eén ding staat vast, ze moeten zichzelf redden. Ze zegt, 'Ik kan onmogelijk mijn weldoeners om brengen. Dat kun je niet van mij verlangen.' Ze wil geen verantwoording nemen. Het is al een hele geruststelling voor Antje en Gerrit te weten dat ze hulp krijgen als het zover is en ze het nu zelf in de hand hebben.
Er moet van alles worden geregeld want ze willen, als het zover is, alles tot in de puntjes hebben verzorgd. Zo gaan ze naar Harlingen om er nog een graf bij de kopen. Dat kan en tevens willen ze weten of ze ook samen in één graf kunnen worden begraven. Daar krijgen ze niet meteen antwoord op want dat is geen alledaags verzoek. Ook maken ze alle papieren in orde en regelen ze een schenking voor Barbara zodat die eigenaar wordt van haar praktijk. Als alles bij de notaris is vastgelegd, ze bericht uit Harlingen hebben dat de grafrechten goed zijn geregeld en ze toestemming voor een dubbel graf hebben verkregen, gaan ze samen nog een middag naar het kerkhof in Harlingen. Als ze langs de graven gaan van Gerrit zijn ouders en zijn zoon, staan ze stil bij het graf van Gea waarna Antje zegt, 'Ik hoop hier samen met onze man terug te komen. De man die ons beide zoveel geluk heeft gebracht. Met die man wil ik ook, samen met jou, de dood delen.' In tranen verlaten ze het kerkhof om daarna even naar Jacob en Annie te gaan. Die zijn blij hen te zien, want die voelen ook hoe het is ouder te wordten als de gezondheid je in de steek laat. Ze hebben grote bewondering voor hun moed, als ze horen dat Gerrit en Antje samen uit het leven willen stappen als het niet meer gaat. Ze kunnen het wel begrijpen. 'Ik heb je zien lijden toen je Gea verloor, 'zegt Annie, 'en je moederziel alleen achterbleef. Maar er is wel moed voor nodig en goede begeleiding.' 'Dat zit wel goed, 'zegt Gerrit, 'we hebben een schat van een vriendin en huisarts en dat is onze steun en toeverlaat.
Hoofdstuk 15
Nog één keer varen ze met de boot naar Terschelling om een paar dagen bij Gerrit zijn dochters door te brengen. Het wordt al met al een week want de meiden proberen ze zo lang mogelijk bij hen te houden. Ze zien wel dat Gerrit achteruit gaat en met Antje gaat het ook niet goed. Er wordt nog van alles besproken want het is misschien wel de laatste keer dat Gerrit en Antje bij hen zijn. Het wordt een droevig afscheid, al hebben ze ook wel bewondering voor zo'n besluit. De terugvaart duurt wat langer dan de heenreis omdat ze besluiten het IJsselmeer nog éénkeer rond te varen. Het is mooi rustig weer en Gerrit en Antje genieten met volle teugen van wat misschien hun laatste keer is om samen, met de boot rond te varen.
Als ze na twintig dagen weer terug in Meppel zijn en 's avonds samen op de bank zitten, komt Gerrit op een bijzonder idee. Hij zegt, 'Wat zou je ervan denken om ons, op onze laatste reis, met de boot te laten vervoeren naar Harlingen. Dirk kan wel varen ook al heeft hij geen vaarbewijs.' Ze leggen het voorstel aan Dirk en Evelien voor als die zondag op bezoek komen en die zien het wel zitten, hoewel ze aan 't idee moeten wennen. Daar hopen ze de tijd nog even voor te hebben. Gerrit laat de uitvaart-ondernemer langskomen om het met haar te bespreken. Die vrouw heeft geen bezwaar. Zij zal zorgen dat de auto's in Harlingen klaar staan als de boot daar aankomt. Het is de eerste keer dat ze zoiets bespreekt met betrokkenen zelf in plaats van met de nabestaanden. Maar ja, alles kan tegenwoordig. Ze wenst hen nog goede laatste dagen toe en belooft alles tot in de puntje te zullen verzorgen als het zover is. En dat kan wel eens niet zo lang meer duren want Gerrit gaat snel achteruit. Hij krijgt het steeds benauwder en Barbara brengt een zuurstoffles om hem nog wat lucht te geven. Ze leven samen bewust naar de dag toe dat hun dat hun laatste zal zijn. Barbara heeft gezorgd dat ze de medicijnen in huis hebben en heeft de werking daarvan uitgelegd. Na inname zullen ze inslapen en niet meer wakker worden. Alles hebben ze geregeld, afscheidsbrieven geschreven, advertentie opgesteld en de tekst voor op de grafsteen opgeschreven. Dan besluiten ze dat het genoeg is geweest. 's Zondags zijn Dirk en Evelien en kleindochter geweest en hebben heel emotioneel afscheid genomen. Ze wisten dat het de laatste keer was, het kon niet langer zo. Dinsdag is Barbara tot de avond bij hen geweest en nadat die was vertrokken gingen ze voor 't laatst samen onder de douche en wasten elkaar, trokken daarna hun beste kleren aan en dronken nog een wijntje samen. Gerrit toetste Barbara haar telefoonnummer in en laat hem, zoals afgesproken, twee keer overgaan en legt vervolgens neer. Toen namen ze het slaapmiddel in wat hen eeuwig in slaap zou gaan brengen en gaan rustig op het bed in elkaars armen de slaap afwachten.
Elf uur 's avonds gaat Barbara samen met een collega naar de boot en ziet dat het gegaan is zoals voorspeld. Gerrit en Antje waren rustig ingeslapen en lagen levenloos op het bed alsof ze zo weer wakker konden worden. Ze hebben afscheid van het leven genomen zoals ze samen hadden besloten en het was goed zo.
De lichamen worden per boot naar Harlingen vervoerd en worden daar onder grote belangstelling begraven, samen in één graf, bij de familie van Gerrit. Na ruim een week wordt het graf afgedekt door een plaat met de volgende tekst welke door hen zelf is opgesteld:
Hier
rusten Gerrit Blok en Antje Rozema.
Zij
wisselen, na gelukkige jaren samen,
het tijdelijke voor het
eeuwige
op een door hen zelfgekozen tijdstip.